|
A
B
C
D
E
F
G
H
IJ
K L
M N
O
P Q
R
S
T
U
V W
X Y Z |
| |
|
 |
Additief
Toevoeging. Stof die aan een product (voedingsmiddel) wordt toegevoegd
om de werking of een bepaalde eigenschap te bevorderen, bv. de smaak,
de geur, het uiterlijk of de houdbaarheid. Sommigen additieven zijn
hulpmiddelen bij het productieproces en kunnen als reststof nog in het
voedsel aanwezig zijn. Het gebruik van additieven in voedingsmiddelen
is aan wettelijke regels gebonden.
Binnen de Europese Unie worden de additieven ingedeeld in groepen met
een eigen E-nummer. Of een voedingsmiddel additieven bevat, staat
vermeld op het etiket. Sommige additieven hebben geen E-nummer en
worden met hun naam of groepsnaam vermeld; bv. aroma's.
Het gebruik van additieven wordt niet door iedereen goed verdragen. |
|
 |
 |
ALLERGEEN
Een stof die bij sommige mensen een overgevoeligheidsreactie kan
veroorzaken |
|
 |
 |
anagene
fase
Periode van groei van de haarfollikel, zie ook katagene en telogene
fase |
|
 |
 |
ANTIGEEN
Een stof die bij de meeste mensen een afweerreactie veroorzaakt |
|
 |
 |
ALLERGISCHE
REACTIE
Er bestaan 4 vormen overgevoeligheidsreactie |
|
 |
 |
ALLERGOLOGIE
Wetenschap die zich bezighoudt met overgevoeligheid en
overgevoeligheidsziekten |
|
 |
 |
ANAMNESE
De voorgeschiedenis van een ziekte; datgene wat de patiënt bij
het onderzoek naar de oorzaak van de ziekte aan de arts vertelt |
|
 |
 |
ANAFYLAXIE
Een snel optredende, ernstige allergische reactie, die
potentieel dodelijk kan verlopen |
|
 |
 |
ANTILICHAAM
(immunoglobuline) Stof die vrijkomt als gevolg van de aanwezigheid van
vreemde stoffen, de zgn antigenen |
|
 |
 |
ANTIHISTAMINICUM
Stof die de werking van histamine tegengaat |
|
 |
|
|
 |
 |
ATOPIE
Vorm van overgevoeligheid waarbij sprake is van erfelijke
aanleg voor bepaalde aandoeningen |
|
 |
 |
Biogene aminen
Verzamelnaam voor door levende organismen (mensen, dieren, planten)
gemaakte stoffen die functies vervullen bij de ademhaling, bioritme's,
de bloedcirculatie, de lichaamstemperatuur en de spijsvertering. De
bekendste biogene amine is histamine. Biogene aminen in dierlijke en
plantaardige voedingsmiddelen en in additieven kunnen overgevoelige
reacties opwekken (voedselintolerantie). |
|
 |
 |
BRONCHIAAL ASTMA
Aandoening die gekenmerkt wordt door ademnood en een piepende
ademhaling |
|
 |
 |
BRONCHODILATATOREN
Medicijnen die de luchtpijp verwijden |
|
 |
 |
BRONCHIAAL
SPASME
Krampachtige samentrekking van de gladde spieren van de luchtpijp (één van de verschijnselen bij bronchiaal astma) |
|
 |
 |
BRONCHIALE
HYPERREACTIVITEIT
Overmatige reactie van de luchtpijp |
|
 |
 |
CARA
Chronische Aspecifieke Respiratoire Aandoeningen.
Verzamelnaam voor ziekten van de onderste luchtwegen |
|
 |
 |
Coeliakie
Ziekte van de dunne darm, waardoor graaneiwitten (gluten) niet
verdragen worden en levenslang vermeden moeten worden door het volgen
van een glutenvrij dieet |
|
 |
 |
COMORBIDITEIT
Het
bij een persoon vóórkomen van meer dan één stoornis in een bepaalde
tijdsperiode. Uit verschillende bevolkingsonderzoeken blijkt dat
psychiatrische comorbiditeit regelmatig voorkomt. |
|
 |
 |
CONGESTIE
Overmatige bloedophoping in de vaten van een orgaan of van
weefsels |
|
 |
 |
CONJUNCTIVITIS
Ontsteking van het bindvlies van het oog (soms als gevolg van
een allergische reactie |
|
 |
 |
CORTICOSTEROïDEN
Hormonen die door de klieren van de schors van de bijnieren worden
geproduceerd; wordt ook als medicament gegeven bij de
behandeling van allergische verschijnselen |
|
 |
 |
CROMOGLYCAAT
Algemene benaming voor een groep van geneesmiddelen die worden
gebruikt bij de preventie van allergische aandoeningen |
|
 |
 |
Dauwworm
Atopisch eczeem bij zuigelingen en
peuters |
|
 |
|
|
 |
 |
DESENSIBILISATIE
Behandeling met allergeenextract, meestal via injectie om de
overgevoeligheid voor een allergeen te verminderen of te laten
verdwijnen. Betere benamingen zijn: allergeenspecifieke immunotherapie
of hyposensibilisatie |
|
 |
 |
DYSPNOE
Ademnood |
|
 |
 |
ECZEEM
Huidaandoening (roodheid, jeuk, afschilferen) |
|
 |
 |
Eiwithydrolysaat
Een mengsel van voorverteerde eiwitten. De grote eiwitten zijn
afgebroken tot kleine stukjes die geen overgevoeligheidsreactie
uitlokken omdat ze niet meer allergeen zijn |
|
 |
 |
Eliminatiedieet /
Provocatiedieet
Dieet waarbij verdachte voedingsmiddelen vermeden worden en worden
vervangen door waarschijnlijk goed te verdragen alternatieven. Een
eliminatiedieet kan worden gebruikt bij het opsporen van de oorzaak
van allergische klachten. Vaak wordt een eliminatiedieet gevolgd door
een provocatiedieet, wanneer de persoon in kwestie (nagenoeg)
klachtenvrij is. Bij een provocatiedieet wordt een verdacht
voedingsmiddel opzettelijk gegeten om te controleren of het
voedingsmiddel wel echt de klachtenveroorzaker is. |
|
 |
 |
Emfyseem
De meest voorkomende vorm van emfyseem is longemfyseem. Bij
longemfyseem zijn de longen minder rekbaar, waardoor kortademigheid
kan voorkomen. Kan worden veroorzaakt door veelvuldige
sterke inspanning (bijv. bij zangers, glasblazers, enz.) |
|
 |
 |
ERYTHEEM
Roodheid van de huid als gevolg van bloedophoping in de vaten
of de weefsels |
|
 |
|
|
 |
 |
FONA
De afkorting FONA staat voor Fouten of Near Accidents.
Het formulier om deze te melden kunt u downloaden door op het woord
FONA te klikken |
|
 |
|
|
 |
 |
Gluten
Graaneiwitten in tarwe, haver, gerst, rogge, spelt en (enigszins)
in gierst |
|
 |
 |
GRAMINEA
Grassen, waarvan het stuifmeel een overgevoeligheidsreactie
veroorzaakt |
|
 |
 |
HISTAMINE
Chemische stof, betrokken bij vele allergische aandoeningen |
|
 |
 |
HYPO-SENSIBILISATIE
Behandeling met allergeenextract, meestal via injectie om de
overgevoeligheid voor een allergeen te verminderen of te laten
verdwijnen |
|
 |
 |
IgE
Immunoglobuline E. Door het afweersysteem
gemaakte afweerstof die zich bindt aan de mestcellen in (meestal) de
huid, het maag-darmkanaal en de luchtwegen. Een in het menselijk
lichaam gekomen allergeen reageert met IgE en er komt een reactieve
stof vrij, bijvoorbeeld histamine. De hoeveelheid afweerstoffen kan
gemeten worden bij een bloedonderzoek. |
|
 |
 |
IMMUNITEIT
Het in een bepaalde mate beschermd zijn tegen invloeden van
buiten en tegen het eigen lichaam |
|
 |
 |
IMMUNOGLOBULINE
Stof die vrijkomt als gevolg van de aanwezigheid van
vreemde stoffen, de zgn antigenen |
|
 |
 |
IMMUNOTHERAPIE
Behandeling met allergeenextract, meestal via injectie om de
overgevoeligheid voor een allergeen te verminderen of te laten
verdwijnen |
|
 |
 |
INFLAMMATIE
Ontsteking |
|
 |
 |
INTOLERANTIE
Onvermogen om iets te verdragen |
|
 |
 |
katagene fase
Periode van overgang van de haarfollikel, zie ook anagene en telogene
fase |
|
 |
 |
KRASJESTEST
Huidtest, die gebruikt wordt voor het opsporen van een
allergeen |
|
 |
 |
Lymfocyten
De belangrijkste cellen van het lymfestelsel, worden verder
onderverdeeld in B-lymfocyten (die antistoffen produceren) en T-lymfocyten (die het
lichaam helpen bij het maken van een onderscheid tussen lichaamseigen
en lichaamsvreemd) |
|
 |
 |
MIJTEN
Zeer kleine spinnen waarvan sommigen voorkomen in het huisstof en het
beddengoed |
|
 |
 |
MUCUS
Dik slijm afkomstig van de slijmklieren |
|
 |
 |
OEDEEM
Opeenhoping van vocht in weefsels |
|
 |
 |
PAPEL
Knobbeltje of verhevenheid van de huid |
|
 |
 |
pathogenen
Infectueuze micro-organismen / ziekteverwekkers |
|
 |
 |
PATCH-TEST
Huidtest die gebruikt word bij de diagnose van het
contacteczeem |
|
 |
 |
POLLEN
Stuifmeel, mannelijk zaad van bloemen |
|
 |
 |
POLLINOSIS
Hooikoorts, overgevoeligheid voor pollen |
|
 |
 |
PRIK-TEST
Huidtest voor het opsporen van een allergeen |
|
 |
 |
PRURIGO
Huidaandoening met intense jeuk en papelvorming |
|
 |
 |
PRURITUS
Jeuk |
|
 |
 |
PSEUDO-ALLERGIE
Aandoening, waarvan de verschijnselen lijken op die van een
allergische reactie en die geen immunologische oorzaak hebben |
|
 |
|
|
 |
 |
RAST
Radio Allergo Sorbent Test. Methodiek voor het bepalen van de specifieke antilichamen die bij
een bepaalde allergische aandoening betrokken zijn. |
|
 |
 |
RESTITUTIE SYSTEEM
Op basis van originele nota’s worden de gemaakte ziektekosten geheel
of gedeeltelijk vergoed (Na aftrek van het eventuele bedrag van het
eigen risico). |
|
 |
 |
RHINITIS
Ontsteking van het neusslijmvlies |
|
 |
 |
SCHIMMEL
Zeer kleine vezelachtige zwammen |
|
 |
 |
SENSIBILISATIE
Het gevoelig worden voor de invloed van een antigeen |
|
 |
 |
SERUM
Vloeibaar gedeelte van het bloedplasma |
|
 |
 |
SPASME
Onwillekeurige samentrekking van spieren |
|
 |
 |
subcutaan
Injecteren direct onder de huid |
|
 |
 |
sublinguaal
Injecteren onder de tong |
|
 |
 |
SYMPATICOMIMETICUM
Geneesmiddel, dat een stimulerende invloed uitoefent op een
bepaald gedeelte van het zenuwstelsel |
|
 |
 |
telogene fase
Periode van rust van de haarfollikel, zie ook anagene en katagene fase |
|
 |
 |
URTICARIA
Huidaandoening met papelvorming, ook wel netelroos genoemd |
|
 |
 |
VACCIN
Entstof, bestaande uit levende, verzwakte of dode bacteriën |
|
 |
| |
|