|
INLEIDING
Auteur:
A.P.H. Jansen, internist-allergoloog
Allergologie Praktijk Arnhem
In de laatste twee
decennia is de aandacht voor allergie toegenomen, niet alleen door meer
bekendheid over de immunologische achtergronden ervan, maar ook door een
wereldwijde toename van allergische aandoeningen. In Nederland wordt
geschat dat 40% van de bevolking een atopische aanleg heeft en dat
ongeveer de helft hiervan daadwerkelijk allergische ziekten heeft, zoals rhinitis, astma en constitutioneel eczeem. De meeste patiënten vertonen
comorbiditeit van deze aandoeningen.
Uit diverse
onderzoeken naar de kwaliteit van leven, blijken allergische ziekten een
duidelijk negatieve invloed te hebben op het sociaal en beroepsmatig
functioneren van de patiënt. De implicaties van deze aandoeningen zijn
evenwel niet alleen aanzienlijk voor het individu maar ook voor de
maatschappij als geheel. Daarbij valt te denken
aan de socio-economische belasting door zowel directe (medische) als
indirecte (arbeidsongeschiktheid, invaliditeit) kostendruk op het
gezondheidszorgbudget.
Allergische
aandoeningen zijn chronisch en ze zijn (nog) niet te genezen. De huidige
behandelopties zijn allergeenvermijding, symptoombestrijding en
allergeenspecifieke immunotherapie.
In de afgelopen
jaren is veel onderzoek gedaan naar de ontwikkeling en de evaluatie van
preventieve maatregelen. De resultaten zijn niet eenduidig positief en
er blijft nog ruimte voor overbodige saneringsmaatregelen. Dit laatste
kan op zichzelf bijdragen aan een verzwaring van de ziektelast voor de
patiënt.
De medicamenteuze
behandeling heeft in wisselende mate succes bij het op korte termijn
verminderen van de klachten bij de patiënt, maar heeft vanuit een breder
perspectief nog onvoldoende effect op het afbuigen van de toenemende
incidentie van deze aandoeningen.
Met belangstelling
worden de resultaten verwacht van nieuwe medicijnen en farmacologische
strategieën.
Allergeenspecifieke immunotherapie (of hyposensibilisatie) wordt al vele
jaren gebruikt als behandeling voor atopische luchtwegaandoeningen. Met
het ter beschikking stellen van goed gedocumenteerde en
gestandaardiseerde allergeenextracten en van nationale en internationale
consensusrichtlijnen voor de indicaties en de praktische uitvoering
ervan, kon de effectiviteit van deze behandeloptie in de afgelopen jaren
pas goed in kaart worden gebracht. Inmiddels heeft de hyposensibilisatie
volgens een voortdurend, subcutaan injectieschema een duidelijke plaats
herwonnen in de therapierichtlijnen. Deze methode heeft echter een, zij
het klein, risico op ernstige allergische bijwerkingen en een
behandeling per injectie is vooral bij kinderen ongemakkelijk.
Er wordt veel onderzoek verricht
naar de werkzaamheid en de
veiligheid van alternatieve toepassingsvormen van hyposensibilisatie.
DEFINITIES EN BEGRIPPEN
Het immuunsysteem
verdedigt het menselijk lichaam tegen bedreigingen uit de buitenwereld,
met name tegen infectieuze micro-organismen. De huid, de slijmvliezen en
bijvoorbeeld ook de trilharen in de luchtwegen en de zuurgraad van het
maagsap vormen een eerste verdedigingslinie tegen potentiële
binnendringers. Door defecten in deze barrière, bijvoorbeeld door
huidletsel of trilhaarsyndromen, maar ook door intrinsieke eigenschappen
van de microben zelf, kan een invasie van pathogenen niet altijd
voorkomen worden. In dat geval komt de binnendringer in aanraking met
het snelle, niet-specifieke afweersysteem dat bestaat uit cellen (zoals
fagocyten en natural killer cellen) en oplosbare factoren
(complementsysteem). Het aspecifieke karakter van deze tweede
verdedigingslinie maakt deze barrière evenwel minder effectief.
Na het
binnendringen van een micro-organisme komt dit ook in contact met de
derde verdedigingslinie, het specifieke afweersysteem dat eveneens
bestaat uit cellen (zoals dendritische cellen en gespecialiseerde
T-lymfocyten) en oplosbare factoren (immuunglobulinen). Dit specifieke
immuunsysteem komt wat trager op gang, maar is uiterst effectief in het
afweerproces. Een goede afweer vereist overigens een nauwe samenwerking
tussen het niet-specifieke en het specifieke immuunsysteem.
Wanneer het lichaam
nooit eerder met een micro-organisme of een ander antigeen in contact is
geweest, ontstaat een primaire immuunrespons waarbij de samenwerking van
beide afweersystemen leidt tot een tegenaanval, maar ook tot
geheugenopslag zodat bij een volgende invasie van hetzelfde
micro-organisme een secundaire immuunrespons ontstaat die snel,
specifiek en effectief afrekent met de binnendringer.
Wanneer deze
complexe afweersystematiek faalt, ontstaan er ziektebeelden zoals
infecties. Die kunnen bijvoorbeeld optreden door problemen in het
immuunsysteem zelf, zoals een tekort aan of zelfs afwezigheid van
sommige afweereiwitten en/of afweercellen (immuundeficiënties), en bij
functiestoornissen van de afweercellen.
Ongewenste afweer
treedt op wanneer het verdedigingsapparaat zich gaat richten tegen
lichaamseigen bestanddelen (auto-immuniteit) of tegen
weefseltransplantaten (afstotingsreacties) en ook wanneer het
afweerapparaat overmatig reageert op prikkels waarbij de afweerreactie
zelf problemen oplevert (allergie).
Hoewel we de eerste
beschrijvingen van overgevoeligheidsziekten reeds kennen uit het oude
Egypte, werd de term ‘allergie’ pas in 1902 door Von Pirquet
geïntroduceerd voor aandoeningen die ontstaan door een veranderde
reactiviteit van het afweersysteem.
Allergie wordt vaak
onterecht synoniem geacht aan het begrip overgevoeligheid.
Overgevoeligheid in lichamelijke zin is evenwel een verzamelterm voor
drie verschillende reactietypes op prikkels die afkomstig zijn van
buiten het lichaam; allergie, hyperreactiviteit en intolerantie.
In de praktijk
blijven microbiële oorzaken hierbij buiten beschouwing.
Allergie kan worden
gedefinieerd als een immunologische reactie op soortvreemd materiaal die
leidt tot een al dan niet reversibele beschadiging van de gastheer. De
meest frequent optredende klinische presentaties van allergie zijn de
aandoeningen die behoren tot het atopiesyndroom zoals rhinitis, astma,
atopisch eczeem/urticaria en anafylactische reacties.
Door een
allergische reactie neemt vaak de mate van overprikkelbaarheid van een
eindorgaan (neus, longen, huid) in kwantitatieve zin toe. Dit fenomeen
wordt hyperreactiviteit genoemd. Het bepaalt in belangrijke mate hoe
sterk de patiënt zal reageren op vervolgcontact met allergene dan wel
niet-allergene prikkels. Een bekend voorbeeld is de
luchtweghyperreactiviteit voor aspecifieke irritantia als koude en
tabaksrook, maar ook voor stoffen als histamine.
Intolerantie lijkt
klinisch op een allergische reactie, maar is echter een
niet-immunologisch gemedieerde reactie op externe prikkels die berust op
rechtstreekse vrijmaking van oplosbare stoffen zoals bijvoorbeeld
histamine uit mestcellen. Bekende voorbeelden hiervan zijn intolerante
voor geneesmiddelen zoals acetylsalicylzuur en voor voedseladditieven
zoals sulfiet.
VORMEN
VAN ALLERGIE
Allergische
aandoeningen kunnen op verschillende manieren worden ingedeeld:
- Naar
orgaangebondenheid (neus, ogen, longen, huid);
- Naar
symptomatologie (urticaria, eczeem, rhinitis, astma);
- Naar tijdsbeloop
(acuut, chronisch, bifasisch);
- Naar ernst
(last, chronisch ziekmakend, levensbedreigend);
- Naar de aard van
het allergeen (voedingsmiddel, huisstofmijt, stuifmeel).
De meest gebruikte
indeling is die naar pathofysiologisch mechanisme volgens het klassieke
van Gell en Coombs waarin allergische reacties worden onderscheiden in
vier vormen (type I t/m IV). De scherpe begrenzingen binnen dit schema
zijn in de loop der jaren door voortschrijdende immunologische inzichten
vervaagd.
De meeste
allergische reacties behoren tot de type-I-reacties, ook wel
immuunglobuline E (afgekort IgE)-afhankelijke reacties genoemd. Het
meest bekende voor beeld van een IgE-afhankelijke reacties het
atopiesyndroom, ook wel atopische allergie genoemd. Andere
IgE-afhankelijke die niet direct behoren tot het atopiesyndroom zijn de
insectengifallergie en soms de allergie voor geneesmiddelen als
penicilline.
Klassieke
voorbeelden van een type-II- ofwel cytotoxische reactie zijn de
bloedtransfusiereacties en de hemolytische anemie door sommige
geneesmiddelen. Bij type-III-reacties spelen ‘toxische’ immuuncomplexen
een belangrijke rol met als klinische voorbeelden de Arthusreactie, de
serumziekte en ziektebeelden als de extrinsieke allergische alveolitis.
Type-IV-allergie wordt ook wel de cellulaire of vertraagd-type-allergie
genoemd en is klinisch het meest bekend als het pathofysiologisch
mechanisme van de contactallergische eczeemreacties.
Bij de atopische
(type-I) allergie speelt een erfelijke aanleg vaak een rol. Het
familiair voorkomen van ziektebeelden als astma, atopische rhinitis en
constitutioneel eczeem was reeds lang bekend. In de afgelopen jaren is
door genetisch onderzoek meer bekend geworden over de betrokken
chromosomen, de genlocaties, de transcriptie naar regulatoreiwitten en
de variaties in de klinische expressie van deze aandoeningen. Deze
ontwikkelingen in de identificatie van het genotype van de atopische
constitutie bieden in de toekomst wellicht mogelijkheden voor
therapeutische interventie.
Naast de genetische
factoren zijn er inducerende (allergeenblootstelling) en adjuvante
(virusinfecties, luchtwegirritantia) factoren die het ontstaan van een
klinisch relevant atopiesyndroom beïnvloeden.
ALLERGENEN
Stoffen die het
lichaam aanzetten tot een immunologische reactie worden antigenen
genoemd. Een antigeen dat de oorzaak is van een allergische reactie
wordt een allergeen genoemd., er wordt een onderscheid gemaakt tussen
enerzijds allergeenbronnen (planten, dieren, huisstof) en anderzijds
allergeendragers (stuifmeelkorrel, dierlijke epithelia,
voedingsmiddelen, uitwerpselen van mijten).
De IgE-inducerende
allergenen zelf zijn in principe kleinere fracties van proteïnen of
glycoproteïnen die epitopen worden genoemd. In de afgelopen jaren is
door moleculair-biologisch onderzoek inzicht verkregen in de structuur
van epitopen, en met behulp van gentechnologie zijn er nu zogenoemde
recombinatieallergenen beschikbaar voor onderzoek, diagnostiek en
therapie,
Allergenen die
betrokken zijn bij atopische allergie kunnen afhankelijk van de bron of
van de drager onderverdeeld worden in categorieën:

- inhalatieallergenen (zoals
huisstofmijt, stuifmeelkorrels, dierlijke
huidschilfers
en schimmels);
- voedingsmiddelen
(zoals koemelkeiwitten, noten, pinda’s en fruit);
- beroepsallergenen (zoals latex,bloemen).
Niet-atopische,
maar wel IgE-inducerende allergeenbronnen/dragers zijn bijvoorbeeld:
- insectengif
(bijen en wespen);
- geneesmiddelen
(penicilline).

Voor een nadere
bespreking van de allergenen die betrokken zijn bij de type-II t/m
type-IV-allergische reacties wordt verwezen naar de vakliteratuur.
Kennis van (het
vóórkomen) van allergenen is essentieel bij de diagnostiek en de
therapie van patiënten met een atopische allergie en ook een
basisvoorwaarde voor verbeteringen in het preventiebeleid. De voor
Nederland belangrijkste inhalatieallergenen worden ingedeeld in
binnenhuis- en buitenhuisallergenen. In het binnenhuis is de
belangrijkste allergeenbron huisstof. Dit bestaat uit een mengsel van
sedimenten uit de lucht waarvan de samenstelling aanzienlijk wisselt
afhankelijk van de plaats van de stofbemonstering.
Binnenhuisallergenen komen vrijwel het hele jaar voor. De belangrijkste
allergenen zijn:
- de uitwerpselen
van mijtsoorten behorend tot de Dermatophagoidae; deze microscopisch
kleine spinachtigen gedijen vooral in een donkere, vochtige en
gematigd warme omgeving waar voldoende voedsel is. Het hoofdmenu
bestaat voornamelijk uit menselijke en dierlijke huidschilfers. Een
ideale biotoop treffen ze aan in matrassen, vloerkleden en
gestoffeerde bankstellen;
- het speeksel en
de huidschilfers van harige huisdieren en de urine van knaagdieren;
- schimmelsporen
in vochtige woningen.
Buitenshuisallergenen komen voornamelijk seizoensgebonden voor. Het
betreft vooral:
- stuifmeelkorrels
van windbestuivers (bomen, grassen en onkruiden);
- schimmelsporen
in het vochtige najaar, vooral in een omgeving met rottend
plantenmateriaal zoals de bladeren in een herfstbos.
Ondanks de
ontwikkelingen in de allergeenresearch, is nog steeds de vraag niet goed
beantwoord wat van een antigeen een allergeen maakt. Verscheidene
aspecten zijn nog onvoldoende duidelijk. Meer onderzoek is nodig naar de
aard en de structuren van allergenen, naar de allergische potentie van
afzonderlijke allergenen, naar betere detectiemethoden voor specifieke
allergeenbelasting, naar dosisresponsrelaties na specifieke
allergeenblootstelling en onderzoek naar veranderde allergenen zoals
isovormen en genetisch gemodificeerde mutanten voor diagnostiek en
therapie.
PATHOFYSIOLOGIE
De ontdekking van
het immuunglobuline E eind jaren zestig bleek een doorbraak in de
ontrafeling van de pathofysiologie van allergische aandoeningen. De
meest voorkomende allergische reacties konden worden verklaard door een
overproductie van IgE en mestceldegranulatie als respons op normale
omgevingsantigenen zoals stuifmeel, huisstofmijt, dierlijke
huidschilfers en voedingsmiddelen.
Inmiddels is in de
loop der jaren steeds meer bekend geworden over de allergische
reactieketen met alle implicaties van dien voor de diagnostiek en de
therapie. Het eenvoudige model van IgE en mestceldegranulatie bleek
achterhaald; allergische aandoeningen zijn in de huidige optiek
chronisch inflammatoire aandoeningen waarbij er in feite sprake is van
een symfonie van vele cellen en oplosbare factoren.
In 1994 werd door
De Monchy de ‘allergische brug’ geïntroduceerd als illustratie van de
drie hoofdprincipes van de allergische reactieketen, namelijk de
allergeenexpositie, de verwerking van het allergeen door het
immuunsysteem en de eindorgaan (hyper)reactiviteit. Aan de hand van dit
idee wordt hier een kort overzicht gegeven van het huidige model van de
allergische reactie.
De
allergeenexpositie
Hiervoor werd reeds
ingegaan op het belang van de eigenschappen van allergenen. De fysische
en chemische eigenschappen en de moleculaire structuur van een allergeen
moeten van dien aard zijn dat het allergeen het targetorgaan (neus,
long, huid, maag-darmkanaal) kan bereiken en ter plaatse contact kan
maken met het immuunsysteem. Ook de eigenschappen van het targetorgaan
zelf spelen hierbij een belangrijke rol. Bovendien spelen bij dit
contact diverse factoren met een adjuvante werking mee. Daarbij valt te
denken aan allergeendragers zoals dieseluitlaatgaspartikels, aan
tabaksrook en aan sommige virusinfecties.
De
immunologische verwerking
Na contact met een
allergeen wordt dit door antigeenpresenterende cellen aangeboden aan
gespecialiseerde lymfocyten die zich in de huis en in de slijmvliezen
van luchtwegen en maag-darmstelsel bevinden.
Deze barrières zijn
in feite de contactplaatsen van het menselijk lichaam met de
buitenwereld. Bij dit allergeenaanbod ‘in de grensstreek’ spelen
epitheelcellen en fibroblasten dan ook een actieve rol.
De gespecialiseerde
lymfocyten kunnen dan specifiek op het allergeen reageren door de
aanmaak van vijf verschillende antistofklassen (respectievelijk
immuunglobuline G, M, A, D, E); dit wordt de B-cel-reactie genoemd.
Een andere
lymfocytaire reactie (de T-cel-reactie) leidt tot de vorming van een
cellulaire ontsteking. Binnen de T-cellen worden functionele
subpopulaties onderscheiden zoals T-helpercellen, T-suppressorcellen en
cytotoxische T-cellen. Afhankelijk van de aard en de hoeveelheid
boodschappereiwitten (cytokinen) die zij produceren, worden de
T-helpercellen onderverdeeld in subsets, zoals de T-helper-I-cellen die
veel interleukine-2 en interferongamma produceren, en de
T-helper-II-cellen die veel interleukine-4 en interleukine-5 produceren.
Bij atopische
allergie is er een dysbalans binnen dit T-helpercellen repertoire met
een relatieve voorkeur voor de T-helper-IIcellen. De relatieve overvloed
van T-helper-II-cytokinen, met name het interleukine-4, is een signaal
voor de B-lymfocyten om tot productie van specifieke IgE-antilichamen
over te gaan.
Bij
type-I-allergische reacties speelt het immuunglobuline E een belangrijke
rol. Na de IgE-productieswitch door de B-lymfocyten, binnen deze
antistoffen sterk aan membraanreceptoren op mestcellen en basofiele
leukocyten. Dit proces wordt sensibilisering genoemd. Bij hernieuwde
allergeenblootstelling kunnen allergeenmoleculen via een kruiskoppeling
reageren met de specifieke IgE-antistoffen op deze cellen. Door het
koppelingssignaal komen uit deze cellen een groot aantal mediatoren vrij waaronder histamine, tryptase,
leukotriënen en prostaglandinen. Histamine is een actieve stof die
verantwoordelijk is voor snel optredende allergische verschijnselen.
Een voorafgaand
initiërend contact (meestal symptoomloos) met het bewuste allergeen is
dus noodzakelijk zodat het immuunsysteem kan sensibiliseren. Dit
sensibilisatieproces is enigszins te vergelijken met de primaire
immuunrespons bij de infectie-afweer. Bij herhaalde blootstelling aan
het allergeen zal de secundaire allergierespons daardoor sneller en vaak
krachtiger verlopen. Dit laatste merkt de patiënt aan het snel optreden
van klachten en verschijnselen na herhaalde blootstelling aan een
allergeen.
De eindorgaan
De primaire en
secundaire allergierespons dienen niet verward te worden met het
bifasische verloop van een allergische reactie. Na contact met een
allergeen verloopt een allergiereactie zowel klinisch als immunologisch
vaak bifasisch. De vroege fase betreft een snelle mestcelreactie die
vervolgens leidt tot het aantrekken en activeren van andere afweercellen
zoals eosinofiele granulocyten die op hun beurt ook weer klachten
veroorzaken, maar nu zo’n zes tot acht uur na het allergeencontact; we
noemen dit de late allergische reactie. De late allergische reactie
heeft het karakter van een ontstekingsreactie en maakt de slijmvliezen
van de luchtwegen gevoeliger voor een volgend allergeencontact en tevens
meer prikkelbaar (hyperreactief), niet alleen voor een volgend
allergeencontact maar nu ook voor een scala aan luchtwegirritantia. Op
deze wijze ontstaat al snel een vicieuze cirkel die leidt tot een
chronisch allergische ontstekingsreactie; het hoofdkenmerk van
allergische ziekten.
EPIDEMIOLOGIE
Allergische
ziekten vormen wereldwijd een groot gezondheidsprobleem. Ze vormen een
van de meest voorkomende chronische aandoeningen in de bevolking. Uit
een groot aantal epidemiologische onderzoeken blijkt dat er vooral in de
laatste drie decennia sprake is van een sterke toename van de incidentie
en de prevalentie van orgaanspecifieke manifestaties van allergische
ziekten waaronder rhinitis, astma en atopisch eczeem. De schattingen van
de prevalentieonderzoeken lopen uiteen van 10% tot 30%, afhankelijk van
de bestudeerde bevolkingsgroepen, de bestudeerde atopische aandoening en
de gebruikte meetmethode. Uit recent Nederlands onderzoek (SGO) blijkt
dat het merendeel van de patiënten comorbiditeit vertoont, dat wil
zeggen dat de meeste patiënten met astma, atopische rhinitis of eczeem
ook een of meer andere atopische ziekte(n) hebben.
Aanvankelijk werd
verondersteld dat de forse toename van allergische aandoeningen een
gevolg was van een toegenomen (h)erkenning door onder meer een
verbeterde diagnostiek. Nationale en internationale epidemiologische
studies waarbij gebruik werd gemaakt van objectieve criteria, waaronder
vergelijkbare en gestandaardiseerde meetmethoden (bijv. PYAMA, ISAAC I
en II, MAS-90), laten er evenwel geen twijfel over bestaan dat de
toename geen artefact is.
De exacte oorzaken
voor de toename zijn evenwel nog niet bekend.
De toename kan
niet alleen maar verklaard worden op basis van de genetische
achtergronden van deze aandoeningen. Na epidemiologische studies zijn
enkele hypothesen over risicofactoren opgesteld die door
klinisch-experimenteel onderzoek worden ondersteund.
Kort samengevat
omvatten die hypothesen:
-
Toename
van allergeenblootstelling zowel binnenshuis als buitenshuis;
-
Verschijnen van ‘nieuwe’ allergenen (bijv. sommige voedingsmiddelen,
latex en plantenallergenen);
-
Toename
van milieuverontreinigende stoffen zowel binnenshuis als buitenshuis met
een adjuvante werking voor sensibilisaties en allergische reacties;
-
Afname
van de tolerantie-inductie in de pre- en postnatale fase;
-
Afname
van de stimulatie van de vroegkinderlijke fase;
-
Afname
van de stimulatie van de vroegkinderlijke infectie-afweer (hygiënetheorie).
Diverse
niet-genetische risicofactoren zoals dieet, gezinsgrootte, hygiënische
condities, sociale klasse en woon-leefomgeving worden wel samengevat
onder de noemer van een westerse levensstijl.
In tegenstelling
tot andere chronische aandoeningen zoals diabetes mellitus en coronair
vaatlijden, waar in de pathogenese de erfelijke aanlegfactoren van groot
belang zijn, lijkt dit bij allergische aandoeningen in mindere mate het
geval. In prevalentie-onderzoeken bij qua atopische aanleg genetisch
gelijkwaardige populatiegroepen in Oost- en West-Duitsland bleken de
omgevingsfactoren namelijk van groter etiologisch belang. De
prevalentiecijfers voor atopische aandoeningen waren in de jaren
voorafgaand aan de Duitse hereniging in beide delen sterk verschillend.
Na de eenwording en de ‘verwesterlijking’ van de leefomstandigheden in
het voormalige Oost-Duitsland, bleken de prevalentiecijfers geleidelijk
in balans te komen. Dit soort onderzoeksresultaten wijst niet alleen op
het belang van de hypothese van de westerse levensstijl, maar zou er ook
op kunnen duiden dat door het opsporen en isoleren van externe
risicofactoren in principe primaire preventie mogelijk is voor
allergische sensibilisering/ziekten.
Diagnose en behandeling
Een correcte en zo
volledig mogelijke diagnostiek is richtinggevend aan het therapeutische
beleid. De behandeling van allergische ziekten in het algemeen en van
atopische luchtwegklachten in het bijzonder, is een meersporenbeleid.
Dit beleid bestaat uit preventie, symptoombestrijding en
allergeenspecifieke immunotherapie.
Het opstellen van
een geïndividualiseerd behandelplan vergt een aanzienlijke
tijdsinvestering. In de hectiek van de alledaagse praktijk wordt daarom
vaak uitsluitend gebruikgemaakt van medicamenten voor symptoomreductie
op korte termijn. Dit beleid heeft evenwel in de afgelopen decennia niet
geleid tot een afname van de progressieve incidentie van atopische
ziekten. De chroniciteit van deze aandoeningen met een neiging tot
progressie en comobiditeit, dwingen daarom tot een herziening naar het
meersporenbeleid.
DIAGNOSTIEK
Een
gestructureerde anamnese en de bevindingen van het lichamelijk onderzoek
vormen het uitgangspunt voor de diagnostiek en daarmee ook van de
therapie bij de patiënten die verdacht worden van een allergische
aandoening.
Naast de algemene
en de tractusanamnese richt de speciële (allergologische) anamnese zich
vooral op;
-
Inventariseren van de klachten, vooral de aard en het beloop;
-
De omstandigheden waaronder de klachten optreden (binnenshuis dan wel
buitenshuis, het hele jaar door dan wel seizoensgebonden, diurnale
variatie);
-
De woonwerkomstandigheden;
-
De invloed van specifieke allergenen, aspecifieke prikkels, klimaat,
inspanning, etc.;
-
De invloed van infecties en stress;
-
Het
effect van klachten en verschijnselen op de kwaliteit van leven;
-
Intoxicaties (roken);
-
De atopisch belasting in de familie.
Op basis van deze
informatie kan een voorlopige diagnose dan wel een werkhypothese worden
opgesteld die richting geeft aan het diagnostisch beleid.
Het
vervolgonderzoek richt zich primair op het aantonen van specifieke
IgE-antistoffen tegen de mogelijk oorzakelijke allergenen. Dit gebeurt
door huidtests en bloedtests. Op indicatie is meer gespecialiseerd
onderzoek geïndiceerd zoals allergeenexpositiemetingen,
functieonderzoeken van de longen en de neus, allergeenprovocatietests en
meer geavanceerde laboratoriumdiagnostiek zoals cellulair onderzoek
(histamine release tests), RAST-remmingen, immunoblotting en bepalingen
van afzonderlijke celpopulaties/mediatoren van de allergische
reactieketen.
Voor een
uitvoerige bespreking van het specialistisch onderzoek wordt verwezen
naar de vakliteratuur. Hier worden achtereenvolgens de huidtest en het
serologisch (RAST) onderzoek besproken. Beide meetmethoden met hun
varianten vertonen verschillen in de validiteit van de testuitslagen, de
tijdsduur en het kostenaspect.
HUIDTEST
In 1865 heeft de
Britse allergologiepionier Charles Blackley, zelf hooikoortslijder, het
belang van stuifmeel aangetoond bij pollinosis door bij zichzelf
stuifmeel te wrijven in oppervlakkige scarificaties in de huid van zijn
arm. Dit bracht een huidreactie teweeg bestaande uit jeuk, roodheid en
kwaddelvormige (triple respons van Lewis). Sedertdien ontwikkelde de
huidtest zich tot het basisonderzoek in de allergologie. Door het
explosieve allergeenonderzoek in het laatste decennium zijn er
verbeterde testextracten beschikbaar en tevens is er nationaal en
internationaal consensus bereikt over de praktische uitvoering van
huidtests, de indicaties en de interpretatie van de resultaten.
Bij de huidtest
meet men het mestcelgebonden specifiek IgE en tevens de mate van
reactiviteit van deze cellen. Bij de bloedtest daarentegen meet men het
circulerend niet-celgebonden specifiek IgE. Afhankelijk van de gebruikte
testvariant is de huidtest nauwkeuriger in het detecteren van specifiek
IgE dan de bloedtest. De betrouwbaarheid van de huidtest is evenwel
sterk afhankelijk van de kwaliteit van de testextracten, de gebruikte
testtechniek en de ervaring in de interpretatie van de testresultaten.
Bovendien moet de huid in een goede conditie zijn; bij constitutioneel
eczeem en dermografie kunnen de resultaten minder betrouwbaar zijn. Een
praktisch punt is dat sommige medicijnen om interferentie met het
testresultaat te voorkomen.
Huidtests kunnen
op elke leeftijd worden uitgevoerd, zelfs bij pasgeborenen. De
testresultaten zijn snel beschikbaar en deze methode is in het algemeen
minder kostbaar dan bloedtests.
In principe zijn
er twee methoden van huidtests: de intracutane test en de priktest. Bij
het vergelijken van beide methoden heeft de priktest de voorkeur al
routinediagnostiek vanwege het gebruiksgemak, een laag risico op
allergische bijwerkingen, een hoge specificiteit, een betere stabiliteit
van het allergeenextract en de lage kosten. De intracutane test
daarentegen is ongeveer 1000 tot 10.000 maal sensitiever en blijkt beter
reproduceerbaar dan de priktest. De praktische uitvoering van de
intracutane huidtest is daarentegen meer bewerkelijk en vergt de nodige
expertise. In het algemeen geldt dat de intracutane test vooral op
specialistische indicatie wordt gebruikt (insectengif, discrepanties
tussen anamnese en huidpriktest/RAST, ontbreken van
niet-gestandaardiseerde en weinig potente testextracten vooral ook bij
exotische allergieën).
De uitslagen van
een huidtest worden altijd vergeleken met twee controleprikken:
één met
alleen de oplosvloeistof van het allergeenextract (de negatieve controle)
en
één met een histamine-oplossing (de
positieve controle).
Aanbevolen wordt
om gebruik te maken van een goed gedocumenteerde techniek waarvan de
reproduceerbaarheid bekend is en van gestandaardiseerde
allergeenextracten.
BLOEDTEST
Het serologisch
aantonen van specifiek IgE gebeurt door middel van een semi-kwantitatieve
bepaling zoals de radio-allergo-sorbent-test (RAST) en tegenwoordig
vooral ook met een RAST-variant, de CAP-test. De voordelen van de
bloedtest ten opzichte van de huidtest zijn: minder belastend, afgezien
van de bloedafname; er is geen kans op allergische bijwerkingen en de
testresultaten worden niet beïnvloed door medicijngebruik of de
huidconditie. De nadelen ten opzichte van de huidtest zijn dat de
testresultaten niet snel beschikbaar zijn en de hogere kosten. Een goede
screeningsmethode in de huisartsenpraktijk is de combinatie-RAST waarmee
eenmalig een detectieonderzoek plaatsvindt met allergeencombinaties
zoals die van de meest gebruikelijke luchtwegallergenen.
De bepaling van
het totaal IgE heeft veel van zijn betekenis verloren. Alleen op
specifieke indicatie of bij twijfel aan de validiteit van de RAST is
deze bepaling nog geïndiceerd.
| |
De voordelen van
de huidtest ten opzichte van de bloedtest:
De nadelen van de
huidtest ten opzichte van de bloedtest:
-
Meer
belastend voor de patiënt
-
Afhankelijkheid van huidconditie en medicijngebruik
-
Risico op
bijwerkingen (hoe gering ook)
|
|
PREVENTIE
De
veronderstelling dat een ziekte veroorzaakt wordt door een allergisch
mechanisme betekent dat de veroorzakende allergenen vermeden moeten
worden om zo die ziekte te voorkomen dan wel te bestrijden.
Atopische ziekten
zijn multifactoriële aandoeningen waar zowel aan de fase van
sensibilisering alsook aan de fase van ziek-zijn, wordt bijgedragen door
genetische componenten en door omgevingsfactoren zoals blootstelling aan
allergenen en luchtwegirritantia.
De genetische
predispositie voor atopische ziekten (de atopische constitutie) kan (nog)
niet gemodificeerd worden. Vermijding en eliminatie van allergenen
vormen dan ook in principe de basis van het behandelbeleid, maar ze zijn
in de praktijk vaak moeilijk uitvoerbaar en kostbaar.
Gezien de welhaast
epidemische toename van atopische ziekten is het huidige preventiebeleid
breed opgezet en richt zich gefaseerd op atopische risicogroepen en op
atopische patiënten.
PRIMAIRE PREVENTIE
Deze preventiefase
richt zich op mensen met een hoog risico om atopische ziekten te krijgen.
De maatregelen richten zich vooral op de kans om in deze risicogroep
allergeensensibilisering te voorkomen.
Omdat
allergeensensibilisering in veel gevallen in de vroege kinderjaren
optreedt en zelfs al in utero, is het duidelijk dat de primaire
preventie zich vooral richt op (de ouders van) high risk kinderen met
adviezen en maatregelen die reeds moeten beginnen voorafgaand aan en
tijdens de zwangerschapsperiode. Allergie-educatie is hierbij belangrijk;
vooral de adviezen die zich richten op de vermijding van de in deze
ontwikkelingsfase belangrijke voedsel- en luchtwegallergenen en de
vermijding van relevante adjuvante prikkels zoals tabaksrook.
Uit diverse
onderzoeken blijkt dat de familieanamnese de beste indicator is voor het
opsporen van risicokinderen. In het algemeen wordt de kans op een
atopische ziekte bij een kind zonder atopische ouders geschat op 10%.
Dit neemt toe tot 30% indien de vader en/of een broertje of zusje
atopisch is en tot 50% wanneer moeder allergisch is. De maternale
overerving van de aanleg blijkt belangrijker dan de paternale overerving.
Zijn beide ouders atopisch dan stijgt het risico zelfs tot 70%. Het
totaal IgE-gehalte van het navelstrengbloed wordt niet meer gebruikt
voor risicoscreening.
Samengevat
omvatten de preventiemaatregelen in deze fase:
-
Postnatale vermijding van sterke voedselallergenen als koemelk,
kippeneiwit, pinda’s en noten;
-
Solitair
borstvoeding tot de leeftijd van 6 maanden alvorens te starten met de
introductie van de bijvoeding;
-
Vermijding van blootstelling van neonaten en peuters aan sterke
inhalatieallergenen als huisstofmijt en dierlijke huidschilfers;
-
Vermijding van blootstelling van neonaten en peuters aan sterke
luchtwegirritantia (met name tabaksrook).
Recent is er in de
medische literatuur veel te lezen over de validiteit van deze en andere
maatregelen. ‘Hot topics’ zijn onder meer de waarde van eliminatiediëten
tijdens de zwangerschap bij moeders van high risk atopiekinderen en de kosteneffectiviteit
van hypoallergene
voeding. Belangwekkend is in dit kader het onderzoek over de vermijding
van blootstelling aan allergenen. Gedurende een korte periode in de
eerste levensjaren staat bij kinderen als het ware een soort raam open
waar een flinke blootstelling aan allergeen noodzakelijk zou zijn om
sensibilisering en op latere leeftijd een klinisch relevante allergie te
voorkomen. Dit verschijnsel werd vooral onderzocht met katallergeen en
enkele voedselallergenen. De idee erachter is dat een kortdurend hoge
allergeenblootstelling nodig is voor de allergeenherkenning door het
immuunsysteem en vervolgens een tolerantie-inductie. Het probleem
hierbij is echter dat de drempeldoseringen en de tijdspanne van de
allergeenblootstelling voor tolerantie-inductie niet goed bekend zijn.
Het mogelijk protectieve effect van de obligate kortdurende
blootstelling aan hoge doses allergeen werd dan ook in andere studies
weer ontkracht.
Wel is het bekend
dat een chronische allergeenblootstelling aan vooral lage doses, zoals
dat gebeurt bij huisstofmijtallergeen, juist een sterke risicofactor is
voor het ontwikkelen van sensibilisatie en ziekte.
Ondanks deze
wetenschappelijke polemiek bestaat er in het geval van dierlijke
allergenen geen discussie over het belang van vermijding in het geval
van reeds opgetreden sensibilisering en bij allergische patiënten. 
SECUNDAIRE PREVENTIE
Deze preventiefase
is het meest bekend en richt zich op reeds gesensibiliseerde personen en
patiënten met slechts milde of kortdurend bestaande
ziekteverschijnselen. De maatregelen in deze fase zijn gericht op
vermijding en sanering van allergene en adjuvante factoren in de
omgeving van de patiënt.
Omdat
sensibilisering en de eerste verschijnselen van een atopische ziekte
zich al vaak op jeugdige leeftijd voordoen, bestaat de doelgroep
ook hier voor een
belangrijk deel uit kinderen.
De vigerende
maatregelen zijn:
-
vermijding van
binnenhuisallergenen zoals die van huisstofmijten en harige huisdieren;
-
vermijding van
adjuvante factoren zoals tabaksrook;
-
risicobeperking
van luxerende factoren zoals sommige virale luchtweginfecties (denk
aan de verhoogde virale infectiedruk op kinderdagverblijven, etc);
-
tijdige start
van effectieve farmacotherapie om de natuurlijke progressie van en de
comorbiditeit binnen het atopiesyndroom in te perken; juist hier
blijkt een rol voor allergeenspecifieke immunotherapie weggelegd.
Dit
preventieniveau levert in de dagelijkse praktijk nogal wat
onduidelijkheden en beperkingen op; daarom wordt op enkele
probleemgebieden kort ingegaan.
Het is moeilijk en
in veelgevallen sociaal onmogelijk om buitenhuisallergenen volledig te
vermijden. Vooral in het geval van stuifmeelallergie is dit niet goed
mogelijk. In het voorjaar en in de zomer worden via de media dagelijks
pollenberichten uitgezonden waarin aan de hand van actuele
pollentellingen
per m³ lucht in relatie tot de weersverwachtingen een voorspelling wordt
gedaan over de allergeenbelasting buitenshuis. De patiënten kunnen dan
hun bezigheden hierop afstemmen om zo min mogelijk hinder te ondervinden.
Ozon en smog hebben een versterkend effect.
Voor
huisstofmijtenallergie zijn uitgebreide saneringsmaatregelen opgesteld
met als doel de allergeenblootstelling in de woon-werkomgeving te
verminderen en daarmee een vermindering van de klachten en gebruik van
medicijnen te bewerkstelligen. Om voldoende klinisch effect te hebben
zijn de saneringsmaatregelen breed opgezet en ook toegespitst op het
vermijden van andere allergeenbronnen in het binnenhuis dan alleen de
huisstofmijt en tevens op het weghalen van sterke luchtwegirritantia.
Bij meta-analyse naar de effecten van die maatregelen, blijken de
doelstellingen in de dagelijkse praktijk vaak niet haalbaar. De
praktische uitvoering ervan blijkt in veel gevallen moeilijk uitvoerbaar
en kostbaar. Momenteel wordt dan ook geadviseerd om de inspanningen voor
de huisstofmijtsanering vooral te richten op de slaapkamer van patiënt.
Daarbij zijn wel goede effecten gevonden voor combinaties van
interventiemaatregelen zoals glad vloeroppervlak, goede ventilatie en
het gebruik van allergeendichte beddenhoezen.
In het geval van
een allergie voor dierlijke huidschilfers blijken vermijdadviezen
duidelijk effectief voor de reductie van klachten en medicatiegebruik en
tevens als preventieve maatregel om comorbiditeit te voorkomen. 
TERTIARE
PREVENTIE
Deze preventiefase
is gericht op patiënten met een chronisch atopiesyndroom. De maatregelen
zijn gericht op het verminderen van de additionele ziektelast door de
progressie van de aandoening en vergaande invalidering zo veel mogelijk
tegen te gaan.
Voorbeelden van deze maatregelen zijn:
-
medische
maatregelen als preventieve infectiebestrijding door inenting en
tijdige antibiotische behandeling bij bacteriële superinfecties.
-
aandacht en hulp
bij psychosociale problemen van de patiënt en zijn/haar gezin.
-
opleidingsadvisering en maatregelen voor aanpassingen in de
arbeidsomstandigheden.
-
het instellen
dan wel optimaliseren van overheidsregelingen voor bijvoorbeeld
consumentdeclaraties in de cosmetica- en de voedingsindustrie en
wettelijke normering van de blootstelling aan schadelijke substanties
in de woon-werkomgeving.
SYMPTOOMBESTRIJDING
In de meeste
gevallen hebben allergische patiënten dermate veel klachten dat zij hun
toevlucht moeten zoeken tot symptoombestrijding. De arts kan hiervoor
tegenwoordig kiezen uit een breed arsenaal aan medicijnen. Op grond van
maatschappelijke en economische druk hebben talrijke gremia zich
beziggehouden met de uitwerking van richtlijnen voor de medicamenteuze
behandeling van de orgaangebonden atopische ziekten. De protocollen voor
de behandeling van respectievelijk atopische rhinitis, atopisch astma en
atopisch eczeem zijn gebaseerd op gedegen (evidence based medicine)
onderzoek door nationale en internationale autoriteiten en dienen als
een goede leidraad bij de prescriptie aan de individuele patiënt. Kort
samengevat geldt voor atopische luchtwegklachten dat het gebruik van
glucocorticosteroïden in de medicamenteuze behandeling nog het meest
effectief is gebleken. De plaatselijke toepassingsvormen hebben hierbij
vanwege de potentiële bijwerkingen uiteraard de voorkeur boven het
systemisch gebruik van de steroïden; dit laatste wordt slechts
kortdurend toegepast bij heftige exacerbaties en bij dreigende
therapieresistentie. Het gebruik van antihistaminica, plaatselijk of
systemisch vormt de hoeksteen van de medicamenteuze behandeling van de
atopische rhinitis en atopische conjunctivitis. Voor een uitgebreide
beschouwing wordt verwezen naar de betreffende vakliteratuur.
Het
toekomstperspectief van de farmacotherapie voor allergische aandoeningen
laat een tendens zien naar de ontwikkeling van nieuwe medicijnen die
ingrijpen op de chronische inflammatie. De leukotrieen-antagonisten en
de nieuwe generatie antihistaminica met mogelijk anti-inflammatoire
werking zijn daar een voorbeeld van. Het valt nog te bezien of er hier
sprake is van een revolutie dan wel van een evolutie.
Gestreefd wordt
naar een meer causale aanpak en hiertoe wordt vooral gezocht aan de
basis van de allergische inflammatie. De allergeenspecifieke
immunotherapie is hiervoor een aantoonbare effectieve behandeling. 
|