|
KRUISREACTIES EN VOEDSELALLERGIe |
|||||
|
Auteur: * UMC
St.Radboud, afd. KNO-heelkunde, Nijmegen |
|||||
| SAMENVATTING | |||||
| Atopische voedselallergie | |||||
| Kruisreacties | |||||
| Interessante aspecten | |||||
| De functies van epitopen | |||||
| De patronen van epitopen | |||||
| Nawoord | |||||
| De meest voorkomende
vorm van voedselovergevoeligheid is de specifiek IgE-gemedieerde
voedselallergie. Kenmerkend voor deze vorm van voedselallergie is het
menselijke afweereiwit immunoglobuline
E, dat specifiek gericht is tegen een voedselallergeen (sIgE). Dit komt vooral voor bij mensen die een natuurlijke aanleg hebben om dit afweereiwit in verhoogde mate te produceren, de zgn. atopici. Dit zijn dan ook de mensen met allergische aandoeningen zoals eczeem, astma en hooikoorts.
Soms is het sIgE niet
alleen maar gericht tegen componenten van een bepaald allergeen, maar kan
dit sIgE ook sterk overeenkomstige eiwitcomponenten herkennen bij andere
allergenen. Door kruisreacties ontstaan regelmatig verwarring en problemen bij de diagnose en bij de behandeling van allergische aandoeningen, vooral ook bij voedselallergie. |
|||||
|
Voedselovergevoeligheid
betekent ziek worden van kwalitatief goede voeding. Wanneer het menselijke afweersysteem hierbij aantoonbaar betrokken is dan spreken we over een voedselallergie. Een voedselvergiftiging is in de definitie uitgesloten. Ook voedselgerelateerde
aandoeningen door een verkeerde samenstelling, een tekort of juist een
teveel aan voeding worden buiten beschouwing gelaten. De overkoepelende term “voedselovergevoeligheid” wordt daarin onderverdeeld in voedselallergie (gedefinieerd als voedselovergevoeligheid veroorzaakt door een specifieke afweerreactie) en de niet-immunologisch veroorzaakte voedselovergevoeligheid ( voorheen voedselintolerantie genoemd). Voedselallergische
reacties op hun beurt zijn in veruit de meeste gevallen IgE-gem De kliniek van atopische
voedselallergie is niet altijd specifiek. |
|||||
| Klachten en verschijnselen van voedselallergie. | |||||
| Plaatselijk: |
|
||||
| Algemeen: |
tabel I |
||||
|
De indeling geeft
globaal de oplopende ernst van de reactie weer en daarmee de noodzaak voor
een snelle medische behandeling ervan. Algemene reacties worden gekenmerkt doordat het klinische beeld zich niet beperkt tot de contactplaats van het voedselallergeen met het lichaam; de meer ernstige vormen hiervan worden ook wel anafylactische reacties genoemd.
Voedselallergie is een
regelmatig voorkomend medisch probleem. In het algemeen wordt geschat dat 3-5% van de volwassen bevolking een atopische voedselallergie heeft; in deze leeftijdsgroep vooral gericht tegen verse (respectievelijk. rauwe) fruit- en groentesoorten, pinda’s, noten en zaden. Voor kinderen is die schatting 7-8%, maar deze percentages kunnen oplopen afhankelijk van de leeftijd en van sommige aandoeningen bij de kinderen. Bij kinderen met
constitutioneel eczeem bijvoorbeeld wordt zelfs een percentage van 60%
gevonden! In de recente medische
onderzoeken blijken de prevalentie percentages voor atopische
voedselallergie te stijgen. Daarenboven werd het OAS in de oudere medische literatuur vaak ten onrechte niet als een echte voedselallergie betrokken bij de medische studies en “last but not least” is er sprake van een echte toename van voedselallergie parallel aan de sterke stijging van alle atopische aandoeningen in de afgelopen jaren. De diagnostiek van
voedselallergie kan zeer complex zijn. Voor de ernstige vormen van voedselallergie geldt dat voorkomen beter is dan genezen. Preventieve vermijding
van de betrokken voedselallergenen is aangewezen en dit betekent niet zelden
een levenslang dieetbeleid met alle praktische problemen en sociale gevolgen
van dien. |
|||||
|
Een bekende associatie
tussen voedselallergie (OAS) en luchtwegallergie is het De basis van dit
fenomeen vormt het feit dat het menselijk IgE afweereiwit nauwkeurig een
allergeeneiwit kan herkennen. We noemen dat stukje eiwit-allergeen een epitoop. Een epitoop is opgebouwd
uit enkele aminozuren (dit zijn de basisbouwstenen van eiwitten). Dit worden homologe epitopen genoemd. Een belangrijk allergeen
deeltje van het berkenstuifmeel bijvoorbeeld is het epitoop Bet V1. De epitopen van deze 3 allergenen lijken dus dermate sterk op elkaar dat het IgE afweereiwit van de hooikoortspatiënt, dat oorspronkelijk was gericht tegen Bet V1, ook de beide andere epitopen kan herkennen en aanpakken. Naast de homologie is in
dit geval ook de botanische verwantschap tussen deze allergene deeltjes
begrijpelijk: appels en hazelnoten zijn boomvruchten uit de botanische
familie van de Berk-achtigen. |
|||||
|
Door wat verder in te gaan op het Para-berk syndroom, komen er een aantal interessante aspecten van de allergische kruisreacties naar voren. In de eerste plaats is er de “kip of het ei” kwestie. Veruit de meeste mensen
met boompollenallergie hebben een of meerdere jaren hooikoorts alvorens ze
het OAS bemerken. Opmerkelijk is verder dat er aanvankelijk werd gedacht dat kruisreacties alleen kunnen voorkomen tussen allergenen die botanisch nauw verwant zijn. Hoe dichter de botanische verwantschap, des te groter is de kans op homologe allergeenfragmenten binnen een bepaalde soort. Sinds de eerste systematische indeling van het plantenrijk door de Zweedse bioloog Linnaeus zijn er door meerdere wetenschappers aangepaste schema’s voorgesteld, meestal op basis van uiterlijke kenmerken van de planten (morfologie), maar ook op basis van analyse uit de embryologie, de palynologie, de biochemie en op basis van chromosoom/DNA-analyse. De ontwikkeling van een plantensoort gedurende de evolutie (de fylogenese) en de botanische verwantschap tussen plantensoorten is in die modellen goed te bestuderen (de studie die zich hiermee bezig houdt heet de taxonomie). Door biochemische en immuunbiologische onderzoeken van de allergische kruisreacties echter zijn er inmiddels een aantal nieuwe taxonomische relaties in het plantenrijk gevonden en zijn er ook verwante eiwitten en eiwitfuncties ontdekt tussen planten en dieren. Wat te denken van bijvoorbeeld de kruisreacties tussen huisstofmijt en wijngaardslakken, tussen soja en koemelkeiwit of tussen natuurlatex en boekweit Een aantal van de meest voorkomende kruisreacties worden in tabel II genoemd. De immunologische verwantschappen vallen dus vaak wel maar niet altijd goed te rijmen met de bekende taxonomie en fylogenetische concepten. |
|||||
|
Voorbeelden van veel voorkomende kruisreacties |
|||||
| Het allergeen waartegen het specifiek IgE meestal primair is gericht wordt eerst genoemd met vervolgens de geassocieerde kruisallergenen | |||||
| Berkenstuifmeel: |
|
<> |
|
Pit-/steenvruchten zoals
appel, kers, perzik Kiwi Boomnoten, vooral hazelnoot, walnoot en amandel |
|
| Bijvoetstuifmeel: |
|
<> |
|
Selderij, wortel, koriander
|
|
| Vogelveren: |
|
<> |
|
Kippenei, vooral eigeelcomponenten
|
|
| Grasstuifmeel: |
![]() |
<> |
![]() |
Graansoorten (meelsoorten), peulvruchten
waaronder pinda, sojaenerwt, tomaat, wortel, aardappel
|
|
| Cashewnoot: |
![]() |
<> |
![]() |
Pistachenoot, sesamzaad, mango
|
|
| Kat-epitheel: |
![]() |
<> |
![]() |
Varkensvlees
|
|
| Latex: |
![]() |
<> |
![]() |
Tropische fruitsoorten zoals kiwi,
avocado en banaan Kastanje
|
|
| Huisstofmijt: |
![]() |
<> |
![]() |
Wijngaardslakken en garnalen | |
| Koemelk: |
![]() |
<> |
![]() |
Geitenmelk
|
|
|
tabel II |
|||||
|
Een ander belangrijk
aspect van kruisreacties vormt de klinische relevantie van kruisreacties. Daarbij herkent het specifieke IgE afweereiwit dat primair gericht is tegen een epitoop van graspollen ook een homoloog epitoop bij tarwe maar dit geeft in veruit de meeste gevallen geen hinderlijke allergische reacties bij het eten van tarwebrood. Dit verschijnsel is een van de redenen waarom een positieve allergietest niet zonder meer als klinisch belangrijk beoordeeld mag worden met het gevaar voor onnodige vermijdadviezen en behandelingen. Deze kwestie vormt momenteel een belangrijk onderzoeksgebied in de Allergologie bij de standaardisering van allergeenextracten voor diagnostiek en therapie. |
|||||
|
Een (voedsel-)allergeen
heeft meestal meerdere epitopen. We noemen die epitopen dan “major allergens”. Epitopen van hetzelfde allergeen die slechts door een minderheid van de patiënten worden herkend worden “minor allergens” genoemd. De indeling tussen “major” en “minor” allergenen heeft in feite niets te maken met de ernst van een klinische reactie op dat allergeen. Mensen kunnen anafylactisch reageren op “minor” allergenen en niet of nauwelijks klachten ervaren door de “major” allergenen. Een nauwgezette karakterisering van allergenen voor wat betreft hun epitopen is van groot belang bij de productie van goede allergeenextracten ten behoeve van nauwkeurige diagnostiek en effectieve therapie maar bijvoorbeeld ook voor de bepaling van drempelwaarden van klinisch relevante allergeengehalten in voedingsmiddelen. Dit laatste aspect is weer belangrijk voor de ontwikkeling van Europese regelgeving over de etiketdeclaraties van voedselallergenen. Uit het bovenstaande
blijkt dat de term “voedselallergeen” eigenlijk een breed verzamelbegrip is.
De eigenlijke allergene componenten zijn de epitopen. |
|||||
|
Er tekenen zich bij de voedingsallergenen patronen af op basis van hun allergische en biologische functies enerzijds en de klinische relevantie anderzijds. Globaal ingedeeld onderscheiden we: Groep I voedselallergenen: De epitopen uit deze
groep ontwikkelen op zichzelf bij mensen geen IgE respons maar ze geven wel
een positieve allergietestuitslag door de binding van specifiek IgE dat
primair gericht is tegen een homoloog epitoop van een ander allergeen zoals
stuifmeel, middels een kruisreactie. Groep II voedselallergenen: De epitopen van deze
voedselallergenen veroorzaken bij mensen wel een specifieke IgE respons en
daardoor positieve allergietesten voor die voedingsmiddelen met in de
praktijk vaak slechts milde klachten (OAS). Groep III: Voedselallergenen die
positieve testreacties geven en vaak de oorzaak zijn van de meer heftige
voedselallergiereacties zoals anafylaxis; voorbeelden hiervan zijn de lipid
transfer proteins (LPT’s) en thaumatine like proteins (TLP’s ). |
|||||
|
Voedsel is samengesteld
uit water, eiwitten, suikers en vetten. Meer onderzoek naar
voedselovergevoeligheid is hard nodig om de complexe processen van
voedseltolerantie beter te begrijpen. Anderzijds kunnen de
kruisreacties hinderlijk storen bij de diagnostiek naar steeds vaker
voorkomende voedselallergie. Een belangrijke klinische bevinding is dat de meeste OAS patiënten slechts reageren op 1 of enkele voedingsmiddelen uit de stuifmeel gerelateerde kruisreeks. Het mag geen normale procedure zijn om hooikoortspatiënten zonder gedegen vooronderzoek te adviseren om à priori een veeltal voedingsmiddelen uit bijbehorende kruisreeksen te laten vermijden. De voortgaande research naar kruisreacties zal hopelijk een belangrijke bijdrage gaan leveren bij verbeteringen in de diagnostiek van voedselallergie en ook van de therapie. |
|||||