|
ALGEMENE ALLERGOLOGIE |
|||||||
|
Auteur: * UMC
St.Radboud, afd. KNO-heelkunde, Nijmegen
|
|||||||
| Samenvatting | |||||||
| Inleiding | |||||||
| Terminologie en vormen van overgevoeligheid | |||||||
| Allergenen | |||||||
| Prevalentie | |||||||
| Etiologie | |||||||
| Diagnostiek | |||||||
| Huidtest | |||||||
| Bloedtest | |||||||
| Behandeling | |||||||
| Preventie | |||||||
| Primaire preventie | |||||||
| Secundaire preventie | |||||||
| Tertiaire preventie | |||||||
| Conclusies voor de praktijk | |||||||
| IgE-gemedieerde allergische aandoeningen zoals astma, rhinitis, eczeem
en voedselallergie, komen wereldwijd steeds vaker voor. Het gaat hierbij
niet alleen over een toenemende incidentie van deze ziektes maar ook
over de toenemende ernst en complexiteit ervan. Bij veel allergische
patiënten wordt een clustering van deze aandoeningen gezien. Deze co-morbiditeit komt illustratief tot uiting in de benaming atopiesyndroom. De gevolgen van de “allergie epidemie” zijn aanzienlijk, niet alleen voor de patiënt en zijn/haar omgeving maar ook voor de samenleving als geheel. Daarbij valt te denken aan de negatieve invloed ervan op de “kwaliteit van leven” van de individuele patiënt en aan de economische belasting door zowel directe ( medische) en indirecte (ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid, etc. ) kostendruk op het gezondheidszorgbudget. Allergische aandoeningen zijn chronisch en ze zijn (nog) niet te genezen. De huidige behandelopties zijn allergeenvermijding, symptoombestrijding en allergeenspecifieke immunotherapie. In de afgelopen jaren is er veel onderzoek gedaan naar de ontwikkeling en de evaluatie van preventieve maatregelen ( waaronder dieetbeleid bij voedselallergie ). De resultaten hiervan zijn niet altijd eenduidig positief. Overbodige sanerings- en vermijdingsmaatregelen dienen vermeden te worden omdat ze bijdragen aan een verzwaring van de ziektelast voor de patiënt. |
|||||||
| In dit hoofdstuk worden enkele basisbegrippen in de allergologie behandeld. Kennis van de definities, van de epidemiologie en van de verschillende vormen van allergie, kan behulpzaam zijn bij het begrijpen van de volgende hoofdstukken in dit boek. Door ook algemene aspecten van de diagnostiek en de behandeling van allergische aandoeningen erbij te voegen, wordt u als lezer binnengeloodst in een medische discipline waar de mens centraal staat die ziek wordt van veelal onschuldige prikkels. | |||||||
| Hoewel we de eerste beschrijvingen van overgevoeligheidsziekten al
kennen uit de oudheid, werd de term ‘allergie’ pas in 1902 door von
Pirquet geïntroduceerd voor aandoeningen die ontstaan door een
veranderde reactiviteit van het afweersysteem. Allergie wordt vaak onterecht synoniem geacht aan het begrip overgevoeligheid. Overgevoeligheid in lichamelijke zin is een verzamelterm voor drie verschillende reactietypes op prikkels die afkomstig zijn van buiten het lichaam:
In de praktijk blijven microbiële oorzaken hierbij buiten beschouwing. Ook de afweer gericht tegen lichaamseigen prikkels, auto-immuniteit, wordt in deze definitie uitgesloten. Allergie kan worden gedefinieerd als een immunologische reactie op soortvreemd materiaal die leidt tot een al dan niet reversibele beschadiging van de gastheer. De meest frequent optredende klinische presentaties van allergie zijn de aandoeningen die behoren tot het atopiesyndroom zoals rhinitis, astma, atopisch eczeem/urticaria en anafylactische reacties. Atopie is een meestal overgeërfde neiging om IgE-antistoffen te produceren na contact met een kleine hoeveelheid allergeen en als gevolg hiervan de neiging om astma, rhinoconjunctivitis of eczeem te ontwikkelen. De termen “atopie” en “atopisch” dienen alleen gebruikt te worden om deze aanleg ( constitutie ) en deze combinatie van klinische verschijnselen aan te duiden. De term “atopie” moet met terughoudendheid gebruikt worden zolang voor overgevoeligheidsklachten nog geen IgE-antistoffen als oorzaak zijn aangetoond. Door een allergische reactie neemt vaak de mate van overprikkelbaarheid van een eindorgaan (neus, longen, huid) in kwantitatieve zin toe. Dit fenomeen wordt hyperreactiviteit genoemd. Het bepaalt in belangrijke mate hoe sterk de patiënt zal reageren op vervolgcontact met allergene dan wel niet-allergene prikkels. Een bekend voorbeeld hiervan is het overmatig reageren op luchtwegirritantia zoals koude lucht, verfgeur en tabaksrook, maar ook op biochemische prikkelstoffen zoals histamine. Intolerantie lijkt klinisch op een allergische reactie, maar is echter een niet-immunologisch gemedieerde reactie op externe prikkels zoals voedingsstoffen en geneesmiddelen. Het werkingsmechanisme van intoleranties berust op een orgaanspecifiek enzymtekort of ( verondersteld ) op rechtstreekse vrijmaking van oplosbare stoffen zoals histamine uit mestcellen. Bekende voorbeelden van intolerantie zijn de acetylsalicylzuur overgevoeligheid, de lactose intolerantie en de additieven overgevoeligheid zoals voor sulfiet. Allergische aandoeningen kunnen op verschillende manieren worden ingedeeld:
De meest gebruikte indeling is die naar pathofysiologisch mechanisme volgens het klassieke schema van Gell en Coombs waarin allergische reacties worden onderscheiden in vier vormen (type I t/m IV). |
|||||||
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
||||
| De scherpe begrenzingen binnen dit schema zijn in de loop der jaren door voortschrijdende immunologische inzichten vervaagd. | |||||||
| De
meeste allergische reacties behoren tot de type-I-reacties, ook wel
immuunglobuline E (afgekort IgE)-afhankelijke reacties genoemd. Het
meest bekende voorbeeld van een IgE-afhankelijke allergische reactie is
het atopiesyndroom. Andere IgE-afhankelijke allergieën die niet direct
behoren tot het atopiesyndroom zijn de insectengifallergie en de
allergie voor geneesmiddelen zoals penicilline. Klassieke voorbeelden van een type-II- ofwel cytotoxische reactie zijn de bloedtransfusiereacties en de hemolytische anemie door sommige geneesmiddelen. Bij type-III-reacties spelen ‘toxische’ immuuncomplexen een belangrijke rol met als klinische voorbeelden de Arthus-reactie, de serumziekte en ziektebeelden zoals de extrinsieke allergische alveolitis. Type-IV-allergie wordt ook wel de cellulaire of vertraagd-type-allergie genoemd en is klinisch het meest bekend als het pathofysiologisch mechanisme van de contactallergische eczeemreacties. |
|||||||
| Stoffen die het lichaam aanzetten tot een immunologische reactie worden antigenen genoemd. Een antigeen dat de oorzaak is van een allergische reactie wordt allergeen genoemd. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds allergeenbronnen (planten, dieren, huisstof) en anderzijds allergeendragers (stuifmeelkorrels, dierlijke epithelia, voedingsmiddelen, uitwerpselen van mijten). | |||||||
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
||||
| De
IgE-inducerende allergenen zelf zijn kleine eiwitfracties of
glycoproteïnen die epitopen worden genoemd. Meestal bevat een allergeen
meerdere allergene componenten of epitopen waartegen het IgE antilichaam
specifiek gericht is. In dit kader is het fenomeen kruisallergie
opmerkelijk. Dit verschijnsel treedt op als een IgE antilichaam dat
primair gericht is tegen een epitoop van een bepaald allergeen, ook een
gelijkvormig epitoop herkent van een ander allergeen. Een belangrijk
allergeen deeltje van het berkenstuifmeel bijvoorbeeld is het epitoop
Bet V1. De vorm, de structuur en de biologische eigenschappen van dit
deeltje komen sterk overeen met een belangrijk epitoop van de appel (Mal
D1) en een belangrijk epitoop van de hazelnoot (Cor A1). Deze
kruisallergie verklaart dat veel mensen met hooikoorts door
berkenstuifmeel in de loop der tijd een voedselallergie ontwikkelen voor
appels en hazelnoten.
In de afgelopen jaren is door moleculair-biologisch onderzoek inzicht verkregen in de structuur van epitopen en met behulp van gentechnologie zijn er nu zogenoemde recombinantallergenen beschikbaar voor onderzoek, diagnostiek en therapie. Allergenen die betrokken zijn bij atopische allergie kunnen afhankelijk van de bron of drager onderverdeeld worden in categorieën:
Niet-atopische, maar wel IgE-inducerende allergeenbronnen/dragers zijn bijvoorbeeld:
Kennis van (het vóórkomen van) allergenen is essentieel bij de diagnostiek en de therapie van patiënten met een atopische allergie en ook een basisvoorwaarde voor verbeteringen in het preventiebeleid. De voor Nederland belangrijkste inhalatieallergenen worden ingedeeld in binnenhuis- en buitenhuisallergenen. In het binnenhuis is de belangrijkste allergeenbron huisstof. Dit bestaat uit een mengsel van sedimenten uit de lucht waarvan de samenstelling aanzienlijk wisselt afhankelijk van de plaats van stofbemonstering. Binnenhuisallergenen komen vrijwel het hele jaar voor. De belangrijkste allergenen zijn:
|
|||||||
|
|
|||||||
|
|||||||
![]() |
![]() |
![]() |
|||||
|
|||||||
![]() |
![]() |
||||||
Buitenhuisallergenen komen voornamelijk seizoensgebonden voor. Het
betreft vooral:
Ondanks de ontwikkelingen in de allergeenresearch, is nog steeds de vraag niet goed beantwoord wat van een antigeen een allergeen maakt. Hiertoe is meer onderzoek nodig naar de aard en de structuren van allergenen, naar de allergische potentie van allergenen, naar betere detectiemethoden voor allergeenbelasting, naar dosisresponsrelaties van allergeenblootstelling en onderzoek naar veranderde allergenen zoals iso-vormen en genetisch gemodificeerde mutanten. |
|||||||
|
Wereldwijd is er een toename vastgesteld in het voorkomen en optreden
van allergische ziektes. Diverse epidemiologische studies waarbij gebruik werd gemaakt van objectieve criteria en gestandaardiseerde meetmethoden (bijv. PYAMA, ISAAC I en II, MAS-90), laten er geen twijfel over bestaan dat die toename geen toevalsbevinding is. In Nederland wordt geschat dat 40% van de bevolking een atopische aanleg heeft en dat ongeveer de helft daarvan, dus ongeveer 1 op de 5 Nederlanders, in meer of mindere mate daadwerkelijk allergische klachten heeft. Veel onderzoek is momenteel gericht op het ontrafelen van de achtergronden van de atopische opmars. Belangrijk voor dit onderzoek was en is het inzicht dat er naast genetische factoren ook inducerende (allergeenblootstelling) en adjuvante (virusinfecties, luchtwegirritantia) factoren zijn die het ontstaan van een klinisch relevant atopiesyndroom beïnvloeden. Het
familiaire voorkomen en de voorkeur voor overerving via moeder van
ziektebeelden zoals astma, atopische rhinitis en constitutioneel eczeem
waren al lang bekend en daarmee het belang van erfelijkheid van allergie. De forse toename van atopische aandoeningen op vooral de kinderleeftijd kan
echter niet meer alleen verklaard worden door een genetisch model. Een
relatief lage overeenkomst voor atopische ziekten Daarnaast werden en worden er ook verklaringen gezocht en deels gevonden in een toegenomen allergeenexpositie, in de negatieve invloeden van milieuverontreiniging en in de afname van de infectiedruk op vroegkinderlijke leeftijd. Dit laatste verklaringsmodel wordt ook wel de “hygiëne hypothese “genoemd en gaat uit van de veronderstelling dat infecties op jonge leeftijd de synthese onderdrukken van specifieke IgE antistoffen (sIgE) door plasmacellen. In recente wetenschappelijke publicaties zijn er echter voor een aantal van deze verklaringsmodellen weer tegenstrijdige resultaten beschreven. Een aantoonbare invloed van omgevingsfactoren op het ontstaan van atopische aandoeningen is echter aanwezig en daarmee richtinggevend voor een belangrijke rol van preventieve maatregelen. |
|||||||
|
Allergische reacties zijn overgevoeligheidsreacties waarbij aantoonbaar
het immuunsysteem is betrokken. Een immuunglobuline, een
antigeenpresenterende cel (APC) of een gespecialiseerde lymfocyt herkent
en bindt het antigeen, waarna een reactieketen op gang komt die
uiteindelijk resulteert in weefselontsteking. Een immunologische reactie
verloopt meestal stapsgewijs.
In
de fase van allergeenblootstelling zijn de fysische en chemische
eigenschappen en de moleculaire structuur van de allergenen van belang
om het targetorgaan (neus, long, huid, maag-darmkanaal) te bereiken. De
eigenschappen van het targetorgaan zelf en adjuvante factoren (
bijvoorbeeld allergeendragers zoals dieselpartikels, tabaksrook en
sommige virusinfecties) dragen bij aan het contact maken met het
immuunsysteem en het versterken van de plaatselijke immuunrespons. De immunologische verwerkingsfase van de IgE-gemedieerde allergie begint met de presentatie van de allergeenfragmenten door APC’s aan gespecialiseerde T-lymfocyten. De huid en de slijmvliezen van de luchtwegen en van het maagdarmkanaal zijn de barrières waar de allergeenpresentatie en de allergeenspecifieke T-cel activatie zich primair afspeelt. In deze “grensstreken” spelen ook epitheelcellen en fibroblasten een actieve rol. |
|||||||
|
antigeenpresentatie _ IgE-produktie _ mestcel-activatie _ uitscheiding mediatoren _ klinische effecten Onschadelijke omgevingsantigenen (allergenen) komen binnen via slijmvliezen en worden opgenomen door antigeenpresenterende cellen (APC's) die ze bewerken en presenteren aan TH-cellen. TH-2 cellen secreteren cytokinen die B-celproliferatie induceren en een allergeenspecifieke IgE-respons veroorzaken. IgE bindt via Fc-receptoren (FcERI) aan mestcellen, waardoor deze gesensibiliseerd worden. Wanneer de gesensibiliseerde mestcel vervolgens in contact komt met allergeen, wordt het oppervlakgebonden IgE gecrosslinkt, wat door een toename van het intracellulaie Ca2- leidt tot afgifte van voorgevormde mediatoren, zoals histamine en proteasen, en nieuw gevormde, uit lipide afkomstige mediatoren, zoals leukotriënen en prstaglandinen. Deze autocoïden veroorzaken de klinische symptomen van allergie. Cytokinen komen ook vrij bij degranulatie van mestcellen en verhogen mogelijk de ontstekings- en IgE-respons. (Uit Roitt et al, 2000) |
|||||||
| Kenmerkend voor de atopische activatie van T-lymfocyten is de proliferatie van T-helper cellen die naar de aard van hun lymfokinenprofiel ingedeeld worden in een TH2 subset; dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld infecties waarbij juist de THI subset tot ontwikkeling komt. De TH2-cellen produceren ondermeer veel interleukine-4, interleukine-5 en interleukine-13 en brengen speciale adhesiemoleculen tot expressie op hun membraanoppervlak. Beide aspecten zijn van belang voor de B-lymfocytrijping en de B-celswitch naar specifiek IgE producerende plasmacellen. De interleukine productie van de TH2-cellen is verder essentieel voor de rijping, de activatie en de overleving van eosinofiele leukocyten in de chronische fase van de allergische ontsteking. De hoofdrol in de atopische reactieketen is weggelegd voor het allergeenspecifieke immunoglobuline E (sIgE). Deze antistoffen worden geproduceerd door tot plasmacellen gedifferentieerde B-lymfocyten onder aansturing van de TH2-cellen. Een toenemend aantal mensen hebben een genetische aanleg om makkelijk en in verhoogde mate dit sIgE aan te maken: die aanleg wordt een atopische constitutie genoemd. De sIgE’s circuleren deels als vrije antistoffen en deels gebonden aan basofiele leukocyten door het bloed; in de weefsels zijn ze vooral gebonden aan mestcellen. Wanneer twee of meer membraangebonden IgE-antistoffen aan een allergeen koppelen, reageren de bijbehorende IgE-receptoren in de celmembraan met elkaar waardoor mestcelactivatie optreedt, wat leidt tot het uitstoten van biogene aminen zoals histamine en tryptase maar ook de aanmaak en afscheiding van bijvoorbeeld leukotriëenen. Vooral histamine is een actieve mediator die na binding aan receptoren van vaten en zenuwen, verantwoordelijk is voor snel optredende allergische verschijnselen. Een ander interessant kenmerk van de allergische reactie is het zichzelf aanpassende vermogen. In een pré-symptomatische periode komt de patiënt een of enkele malen in aanraking met het allergeen en ontwikkelt sIgE. Wanneer de klinische reactie eenmaal op gang is gekomen, dan kan bij herhaalde expositie aan lage doses van het betreffende allergeen de reactiviteit van de targetorganen versterkt worden. Deze versterking van de reactiviteit (ook wel “priming”genoemd) geldt dan niet alleen voor hernieuwd contact met het betreffende allergeen maar nu ook voor het contact met een veeltal irritatieve prikkels. Dit verschijnsel wordt de allergeengeïnduceerde hyperreactiviteit van het eindorgaan genoemd. Het celbiologische en moleculaire substraat van dit fenomeen wordt gevormd door een ontstekingsinfiltraat dat op zich in een vervolgfase weer mede debet is aan structurele veranderingen in de eindorganen. Opmerkelijk is de bevinding dat soms bij herhaalde expositie aan hoge tot zeer hoge doses van een allergeen, de klinische reactiviteit juist minder wordt. Bij de behandeling van allergische patiënten wordt hiervan gebruik gemaakt bij de allergeenspecifieke immunotherapie. |
|||||||
| Een
nauwkeurige anamnese en de bevindingen van het lichamelijk onderzoek
vormen de uitgangspunten voor de diagnostiek en daarmee ook voor de
therapie bij patiënten die verdacht worden van een allergische
aandoening. Naast de algemene anamnese, richt een gestructureerde
speciële anamnese zich vooral op de inventarisatie van de (ernst van de)
klachten en van de oorzakelijke of modificerende prikkels (allergische
of irritatieve triggers). Op basis van deze informatie wordt een voorlopige diagnose of een werkhypothese opgesteld die aangeeft of verder onderzoek zinvol is en zo ja, richting geeft aan het diagnostische vervolgtraject. Dat vervolgonderzoek richt zich primair op het aantonen van specifieke IgE-antistoffen tegen de mogelijk oorzakelijke allergenen. Op indicatie wordt meer specialistisch onderzoek uitgevoerd zoals allergeenexpositiemeting, functieonderzoeken van de neus en de longen en meer geavanceerde laboratoriumdiagnostiek. Bij dit laatste valt te denken aan histamine releasetesten, RAST-remmingen, immunoblotting en bepalingen van afzonderlijke cellen en mediatoren van de allergische reactieketen. Voor de diagnostiek van luchtwegallergie is een allergeenprovocatie (nasaal, conjunctivaal of bronchiaal) alleen nodig bij discrepante bevindingen tussen anamnese, huidtests en RAST. Ook kan dit onderzoek aangewezen zijn bij specifieke allergie behandelingen zoals uitgebreide allergeenvermijding of allergeenspecifieke immunotherapie. Voor de diagnose voedselallergie is een allergeenprovocatie echter de “gouden standaard”. Bij voorkeur dient deze test dan dubbelblind en placebogecontroleerd uitgevoerd te worden. Provocatie onderzoeken zijn bewerkelijk, kosten veel tijd en zijn niet zonder risico op heftige allergische reacties. De testprocedures en technieken zijn nog niet voldoende gestandaardiseerd. Het provocatie onderzoek met allergenen vormt in feite een laboratoriummodel waarbij in een korte periode een vrij hoge dosering van het allergeen wordt toegediend. Vooral bij luchtwegallergie verloopt de natuurlijke blootstelling aan het allergeen meestal juist langdurig met een lage hoeveelheid allergeen. Verder is voor de praktische uitvoering van het provocatie onderzoek gedegen expertise en getraind personeel nodig. Allergeenprovocaties dienen daarom uitsluitend uitgevoerd te worden in gespecialiseerde centra en lenen zich niet voor routine diagnostiek. |
|||||||
| In 1865 heeft de Britse allergologiepionier en hooikoortspatiënt Charles
Blackley, de huidtest beschreven. Door stuifmeel te wrijven in krasjes in de huid van zijn arm, ontstond een huidreactie met jeuk, roodheid en kwaddelvorming (triple respons van Lewis). Sinds die tijd ontwikkelde de huidtest zich tot het basisonderzoek in de allergologie. Door het explosieve allergeenonderzoek in het laatste decennium zijn er verbeterde testextracten beschikbaar en ook is er (inter-)nationaal consensus bereikt over de praktische uitvoering van huidtests, de indicaties ervoor en de interpretatie van de resultaten. Bij de huidtest wordt op indirecte manier het mestcelgebonden specifiek IgE gemeten en tevens de mate van reactiviteit van deze cellen. Bij de bloedtest daarentegen meet men direct het circulerend niet-celgebonden specifiek IgE. Afhankelijk van de gebruikte testvariant is de huidtest nauwkeuriger in het detecteren van specifiek IgE dan de bloedtest. De betrouwbaarheid van de huidtest is echter afhankelijk van de kwaliteit van de testextracten, de gebruikte testtechniek en de ervaring in de interpretatie van de testresultaten. Bovendien moet de huid in een goede conditie zijn; bij constitutioneel eczeem en dermografie kunnen de resultaten minder betrouwbaar zijn. Een praktisch punt is dat sommige medicijnen gestaakt moeten worden voor de uitvoering van de huidtest om interferentie met het testresultaat te voorkomen. Huidtests kunnen op elke leeftijd worden uitgevoerd, zelfs bij kleine kinderen. De testresultaten zijn snel beschikbaar en deze methode is in het algemeen minder kostbaar dan bloedtests. |
|||||||
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
||||
| In principe zijn er twee methoden van huidtests: de intracutane test en de priktest. Bij het vergelijken van beide methoden heeft de priktest de voorkeur als routinediagnostiek vanwege het gebruiksgemak, een laag risico op allergische bijwerkingen, een hoge specificiteit en een betere stabiliteit van het allergeenextract. De intracutane test daarentegen is ongeveer 1000 tot 10.000 maal sensitiever en blijkt beter reproduceerbaar te zijn dan de priktest. De praktische uitvoering van de intracutane huidtest is wel meer bewerkelijk en vergt de nodige expertise. In het algemeen geldt dat de intracutane test vooral op specialistische indicatie wordt gebruikt. De uitslagen van een huidtest worden altijd vergeleken met twee controleprikken: één met alleen de oplosvloeistof van het allergeenextract (de negatieve controle) en één met een histamineoplossing (de positieve controle). | |||||||
| Met de radio-allergo-sorbent-test (RAST) kunnen IgE antistoffen gericht tegen specifieke allergenen in het bloed van de patiënt rechtstreeks aangetoond worden. Bij de praktische uitvoering van de hedendaagse RAST varianten wordt niet meer gebruik gemaakt van radio-actieve labels maar van chemo- of fluorescentie technieken; voor het gemak worden al dit soort sandwich immuno-assays nog steeds gevat onder de noemer RAST. Een positieve RAST uitslag is slechts een indicator voor de aanwezigheid van IgEantistoffen in het bloed en de RASTtiter is een maat voor de hoeveelheid daarvan in het serum. Evenals voor de huidtest geldt dat een klinische interpretatie van de RAST uitslag dient plaats te vinden tegen de achtergrond van de bevindingen van de anamnese, het fysisch/diagnostisch en indien nodig van provocatie onderzoeken. | |||||||
![]() |
![]() |
||||||
| Met
andere woorden, het is essentieel voor de dagelijkse praktijk om een
positieve RAST uitslag niet zondermeer te interpreteren als een klinisch
relevante allergie. Ook de hoogte van de RAST titer correleert niet
altijd met de ernst van een allergische reactie; een stijging van de
RAST titer is slechts een indicatie voor een verhoogde kans op
daadwerkelijk optreden van allergische reacties. Interessant zijn in dit kader de resultaten van recente provocatie studies naar de mogelijk voorspellende waarde van de hoogte van de RASTtiter voor de klinische relevantie van sommige voedselallergenen (koemelk, kippeneiwit, pinda). Er
ontstaan regelmatig problemen bij het beoordelen van een RAST uitslag.
Vooral indien er sprake is van lage RASTtiters/klasse, dient bij de
beoordeling rekening gehouden te worden met kruisallergeniciteit of
vals-positieve binding van niet-specifieke IgE antistoffen bijvoorbeeld
door een sterk verhoogd totaal IgE-gehalte. De bepaling van het totale ( niet-specifiek) IgE-gehalte in het serum heeft veel van zijn betekenis verloren als betrouwbare voorspeller van het individuele risico op atopische aandoeningen. Er zijn behalve de atopische aandoeningen nog veel andere ziekten die gepaard gaan met een verhoging van het IgE gehalte. Alleen op specifieke indicatie of bij twijfel aan de validiteit van de RAST is deze bepaling bij het atopiesyndroom nog geïndiceerd. Een effectieve en kostenbesparende screeningsmethode naar de aanwezigheid van specifieke IgE antistoffen in het bloed vormt de combinatie-RAST waarbij onderzoek plaatsvindt met een mengsel van de meest gebruikelijke luchtwegallergenen of met een voedselallergeenmengsel. Pas wanneer de combinatie-RAST positief uitvalt, dan kunnen afzonderlijke RAST’s ingezet worden voor nadere differentiëring. |
|||||||
| In de meeste gevallen hebben allergische patiënten dermate veel klachten
dat zij hun toevlucht moeten zoeken tot symptoombestrijding. De arts kan
hiervoor kiezen uit een breed arsenaal aan medicijnen. Hiertoe zijn er
(inter-)nationale richtlijnen opgesteld. Deze protocollen voor de
behandeling van respectievelijk rhinitis, astma, urticaria en eczeem
zijn gebaseerd op gedegen (evidence based medicine) onderzoek en dienen
als een leidraad bij het voorschrijven van medicijnen aan de individuele
patiënt. De medicamenteuze behandeling heeft in wisselende mate succes
bij het op korte termijn verminderen van de klachten van de patiënt,
maar heeft vanuit een breder perspectief nog onvoldoende effect op het
afbuigen van de toenemende incidentie van deze aandoeningen. Met
belangstelling worden de resultaten verwacht van nieuwe medicijnen en
farmacologische strategieën, juist ook op het gebied van voedselallergie. Er wordt gestreefd naar een meer oorzakelijke aanpak van allergie en hiertoe wordt een aangrijpingspunt vooral gezocht aan de basis van de allergische ontstekingsreactie. Bij luchtwegallergie en insectengifallergie is de allergeenspecifieke immunotherapie, ook wel hyposensibilisatie genoemd, hiervoor aantoonbaar effectief. Steeds vaker verschijnen er studies waarin de werkzaamheid en de veiligheid zijn onderzocht van alternatieve toepassingsvormen en indicatiegebieden van hyposensibilisatie, ook bij voedselallergie. |
|||||||
| De veronderstelling dat een ziekte veroorzaakt wordt door een allergisch
mechanisme betekent dat de veroorzakende allergenen vermeden moeten
worden om zo die ziekte te voorkomen dan wel te bestrijden. Atopische
ziekten zijn multifactoriële aandoeningen waar zowel aan de fase van
sensibilisering alsook aan de fase van ziek-zijn, wordt bijgedragen door
genetische componenten en door omgevingsfactoren zoals blootstelling aan
allergenen, sommige infecties en adjuvante factoren. De genetische
predispositie voor atopische ziekten (de atopische constitutie) kan (nog)
niet gemodificeerd worden. Vermijding en eliminatie van allergenen
vormen dan ook in principe de basis van het behandelbeleid, maar ze zijn
in de praktijk vaak moeilijk uitvoerbaar en kostbaar. Gezien de welhaast epidemische toename van atopische ziekten is het huidige preventiebeleid breed opgezet en richt zich gefaseerd op atopische risicogroepen en op atopische patiënten. Preventie maatregelen dienen aan een aantal voorwaarden te voldoen. De
maatregelen dienen aantoonbaar effectief te zijn, ze mogen geen schade
berokkenen en dienen kosteneffectief ingezet te kunnen worden. Voor de
effect analyse wordt bijvoorbeeld gebruik gemaakt van de Shekelle
criteria om de bewijskracht te beoordelen van medisch-wetenschappelijk
onderzoek over een bepaalde preventie maatregel. |
|||||||
| Deze
preventiefase richt zich op mensen met een hoog risico om atopische
ziekten te krijgen. De maatregelen richten zich vooral op de kans om in
deze risicogroep allergeensensibilisering te voorkomen. Omdat
allergeensensibilisering in veel gevallen in de vroege kinderjaren
optreedt en zelfs al in de baarmoeder, is het duidelijk dat de primaire
preventie zich vooral richt op (de ouders van) high risk kinderen. De
maatregelen dienen vaak reeds te beginnen voorafgaand aan en tijdens de
zwangerschapsperiode. Allergie-educatie is hierbij belangrijk; vooral
over de adviezen die zich richten op de vermijding van de in deze
ontwikkelingsfase belangrijke voedsel- en luchtwegallergenen en de
vermijding van relevante adjuvante prikkels zoals tabaksrook. Uit
diverse onderzoeken blijkt dat de familieanamnese de beste indicator is
voor het opsporen van risicokinderen. In het algemeen wordt de kans op
een atopische ziekte bij een kind zonder atopische ouders geschat op
10%. Dit neemt toe tot 30% indien de vader en/of een broertje of zusje
atopisch is en tot 50% wanneer moeder allergisch is. De overerving van
de aanleg via moeder blijkt dus belangrijker te zijn dan de overerving
via vader. Zijn beide ouders atopisch dan stijgt het risico zelfs tot
70%. Het totaal IgE-gehalte van het navelstrengbloed wordt niet meer
gebruikt voor risicoscreening. Samengevat omvatten de beoordeelde preventiemaatregelen in deze fase:
Over een aantal maatregelen is de wetenschappelijke discussie nog niet gesloten en daarmee nog geen Shekelle beoordeling afgegeven:
Een heet hangijzer vormt ook nog de kosteneffectiviteit van preventief gebruik van hypoallergene voeding. Belangwekkend is in dit kader het onderzoek over de vermijding van blootstelling aan allergenen. Gedurende een korte periode in de eerste levensjaren staat bij kinderen als het ware een soort “immunologisch tijdraam” open waarin een flinke blootstelling aan allergeen noodzakelijk zou zijn om sensibilisering en op latere leeftijd een klinisch relevante allergie te voorkomen. Dit verschijnsel werd vooral onderzocht met kat allergeen en met enkele voedselallergenen. De idee erachter is dat een kortdurend hoge allergeenblootstelling nodig is voor de allergeenherkenning door het immuunsysteem en vervolgens een tolerantie-inductie voor dat betreffende allergeen. Het probleem hierbij is echter dat de drempeldoseringen en de tijdsduur van de allergeenblootstelling voor tolerantie-inductie niet goed bekend zijn. Het mogelijk beschermende effect van de kortdurende blootstelling aan hoge doses allergeen werd dan ook in andere studies weer ontkracht. Wel is het bekend dat een chronische allergeenblootstelling aan vooral lage doses, zoals dat gebeurt bij huisstofmijtallergeen, juist een sterke risicofactor is voor het ontwikkelen van sensibilisatie en ziekte. Ondanks deze wetenschappelijke tegenstellingen bestaat er, in het geval van dierlijke allergenen, geen twijfel over het belang van vermijding wanneer er al sensibilisering is opgetreden en zeker niet wanneer er al sprake is van klinisch relevante allergie. |
|||||||
| Deze
preventiefase is het meest bekend en richt zich op reeds
gesensibiliseerde personen met een hoge kans op het ontwikkelen van
ziekte danwel op patiënten met slechts milde of kortdurend bestaande
ziekteverschijnselen. De maatregelen in deze fase zijn gericht op
vermijding en sanering van allergene en adjuvante factoren in de
omgeving van de patiënt. Omdat sensibilisering en de eerste
verschijnselen van een atopische ziekte zich vaak al op jeugdige
leeftijd voordoen, bestaat de doelgroep ook hier voor een belangrijk
deel uit kinderen.
De huidige maatregelen zijn:
Voor
de huisstofmijtenallergie zijn saneringsrichtlijnen opgesteld met als
doel om de allergeenblootstelling in de woon-werkomgeving te verminderen
en daarmee een vermindering van de klachten en van het gebruik van
medicijnen te bereiken. Om voldoende klinisch effect te hebben zijn de
saneringsmaatregelen breed opgezet en ook toegespitst op het vermijden
van andere allergeenbronnen in het binnenhuis dan alleen de huisstofmijt
en tevens op het verminderen van de blootstelling aan sterke
luchtwegirritantia. In het geval van een allergie voor dierlijke huidschilfers blijken vermijdadviezen duidelijk effectief voor de reductie van klachten en medicatiegebruik en tevens als preventieve maatregel om co-morbiditeit te voorkomen. |
|||||||
Deze
preventiefase is gericht op patiënten met een chronisch atopiesyndroom.
De maatregelen zijn gericht op het verminderen van de ziektelast door de
progressie van de aandoening en verdergaande invalidering zo veel
mogelijk tegen te gaan. Voorbeelden van deze maatregelen zijn:
Ook in deze preventiefase zijn diverse maatregelen nog onvoldoende duidelijk en daardoor niet beoordeeld volgens de Shekelle criteria. Voorbeelden daarvan zijn:
Voor een effectieve inzet van de drie preventieniveaus is educatie en informatie noodzakelijk. Niet alleen van en voor de patiënten, maar ook van en voor de medische en paramedische beroepsgroepen en overheidsinstanties. |
|||||||
|
|||||||