|
|
||||||||||||
|
Februari 2005, nr 2 Modern Medicine is een praktisch en informatief tijdschrift voor arts en apotheker en verschijnt 12 x per jaar.Het doel van Modern Medicine is de lezer inzicht en overzicht te geven op medisch gebied. Modern Medicine wil de lezer snel en op een prettige, toegankelijke wijze op de hoogte brengen van actuele ontwikkelingen in de gezondheidszorg. Naast artikelen met wisselende onderwerpen en vaste rubrieken bevat Modern Medicine een aantal wetens(chappelijke)waardigheden met aandacht voor een veelheid van onderwerpen. Auteur: |
||||||||||||
|
De prevalentie van allergische ziekten
zoals rhinitis, astma en atopische dermatitis neemt wereldwijd toe. In
Europa heeft 10-15% van de bevolking symptomen van allergische astma en
15-20% allergische rhinitis. Allergische aandoeningen hebben een
belangrijke invloed op het dagelijkse functioneren van patiënten en
leiden tot een hoog werk- en schoolverzuim. De laatste jaren is de
kennis over allergie sterk toegenomen en hebben zich nieuwe
ontwikkelingen voorgedaan ten aanzien van behandeling. |
||||||||||||
|
Allergeen Inhalatieallergenen zijn eiwitten die
na inademing via contact met de slijmvliezen van ogen, neus of bronchiën
klachten geven bij mensen met een allergische aanleg. Het belangrijkste
binnenhuisallergeen is de huisstofmijt (D. pteronyssinus) (figuur 1), in
1964 ontdekt door de biologen F. Spieksma en M. Spieksma-Boezeman in
Leiden. De huisstofmijt (HSM) is aanwezig in het stof van
onder andere matras, vloerbedekking en bank. Uitwerpselen van de mijt
(>10 g) worden alleen na opdwarrelen van huisstof ingeademd en
veroorzaken dan allergische symptomen. HSM leven van huidschilfers van
mens en dier bij een temperatuur tussen 10 en 30 graden en een relatieve
vochtigheid van meer dan 50%. In buitenlandse onderzoeken wordt
opgegeven dat 54% van patiënten met rhinitis, astma of beide allergisch
is voor HSM. In een Nederlands onderzoek bij 2500
patiëntentussen 20 en 70 jaar had 24% van de mannen en 19% van de
vrouwen allergische antistoffen tegen HSM. Immunologie
Hygiënehypothese
|
||||||||||||
|
Kernpunten
|
||||||||||||
|
ARIA-richtlijnen In samenwerking met de WHO zijn nieuwe ARIA (Allergic Rhinitis and its Impact on Asthma)-richtlijnen opgesteld:
De ernst wordt ingedeeld op basis van
de impact op het leven van de patiënt. |
||||||||||||
|
Behandeling van allergische rhinitis TABEL 1 |
||||||||||||
| INDICATIE |
INTERMITTEREND MILD |
INTERMITTEREND MATIG/ERNSTIG |
PERSISTEREND MILD |
PERSISTEREND MATIG/ERNSTIG |
||||||||
| Allergische rhinitis bij volwassenen | Orale antihistaminica |
Orale of intranasale antihistaminica |
Orale of intranasale antihistaminica |
Starten met nasale corticosteroïden | ||||||||
| Intranasale antihistaminica |
Nasale corticosteroïden (cromoglycaten) |
Nasale corticosteroïden (cromoglycaat) |
Eventueel stootkuur prednison | |||||||||
| Evaluatie na 2-4 weken: |
Evaluatie na 2-4 weken: status
quo: zoeken naar oorzaak; dosis verdubbelen; eventueel antihistaminica toevoegen |
|||||||||||
|
verbetering: continueren eventueel nasale cortico- steroïden halveren |
Bij verbetering: 3 maanden behandelen in lage dosis | |||||||||||
|
Status quo en op histaminica: naar nasale corticosteroïden |
Wanneer niet verbeterd na 3
maanden: verwijzing naar specialist: eventueel immunotherapie |
|||||||||||
|
Toename: naar volgende stap |
ARIA in samenwerking met WHO-richtlijnen. | |||||||||||
|
Vóórkomen Eenderde deel van de allergische
rhinitispatiënten heeft een persisterende allergische rhinitis. Een
meerderheid heeft matig-ernstige symptomen (gestoorde slaap, problemen
met dagelijkse activiteiten, school- en werkverzuim en hinderlijke
symptomen). De prevalentie van astma bij allergische rhinitis is 13%, de
prevalentie van allergische rhinitis bij astmapatiënten bedraagt 78-92%.
Ook atopische dermatitis is hoog geassocieerd met allergische rhinitis:
85%. Atopische dermatitis kan verergeren na inhalatie van HSM. Oude
laesies kunnen verergeren of nieuwe laesies kunnen ontstaan anderhalf
tot 17 uur na contact met HSM. De reacties worden vooral gezien bij
patiënten met onderste-luchtwegklachten na inademen van HSM en een
anamnese van astma. Diagnostiek Anamnese en lichamelijk onderzoek
Huidtests vormen nog steeds een basisonderzoek. Met name priktests (prikje door druppel allergeenextract tot in de huid) kunnen met gestandaardiseerde HSM-extracten in de huisartspraktijk worden uitgevoerd. Bij de intracutane test wordt ongeveer 0,03 ml allergeenoplossing in de huid ingespoten. Aflezen moet gebeuren door voldoende getraind personeel na 20 minuten. De uitslag moet altijd worden vergeleken met een negatieve en positieve controle. Het voordeel van de huidtest is vooral het snelle en ook voor de patiënt zichtbare resultaat. Een nadeel is dat de medicatie tevoren gestaakt moet worden: patiënten dienen gedurende minimaal drie dagen geen antihistaminica te gebruiken. Bloedtests Allergische IgE-antistoffen in het bloed worden aangetoond door middel van een ‘RadioAllergoSorbens Test’ (RAST) HSMextract wordt gekoppeld aan een vaste drager (papierschijfjes, Sepharosebolletjes, geactiveerde cellulose (CAP)). Na incubatie met het serum van de patiënt wordt het gebonden allergeenspecifieke IgE gedetecteerd door incubatie met (radioactief) gemerkt antistof gericht tegen humaan IgE. De uitslag wordt uitgedrukt in KU/liter en/of klassen. Het bloedonderzoek is met name geïndiceerd wanneer de huidtest niet goed mogelijk is (dermografie van de huid en/of staken van medicatie niet wenselijk). Het meten van het totaal IgE, ECP en tryptase wordt niet aangeraden: de hiermee verkregen informatie is weinig specifiek. Provocatietests Provocatietests (nasaal, conjunctivaal) worden door de specialist op strikte indicatie verricht bij discrepantie tussen de anamnese en bovengenoemde tests (huidtest en RAST). Een bronchiale provocatietest met HSM-extract is slechts bij uitzondering noodzakelijk. Het combineren van de uitslagen van huidtest/ RAST en PC20-histamine (histaminedrempelbepaling in de lagere luchtwegen) levert ongeveer dezelfde informatie. Rhinomanometrisch onderzoek door middel van provocatie met histamine geeft informatie over de nasale hyperreactiviteit. Longfunctieonderzoek, spirometrie (vitale capaciteit en eensecondewaarde) en histaminedrempelbepaling worden verricht ter opsporen van astma en hyperreactiviteit, evalueren van medicatie-effect en voor aanvang van immunotherapie ter beoordeling van eventuele risicofactoren (‘safety aspect’). Uiteraard dient ook voor aanvang van deze tests de medicatie gestaakt te worden: acht uur tevoren voor bronchodilatoren, drie dagen voor antihistaminica en een tot twee weken voor inhalatiemedicatie. Eventueel kunnen expositiemetingen worden verricht om de hoeveelheid HSM te bepalen in stofmonsters van bijvoorbeeld matras of vloerkleed of op de werkplek. In het laatste geval kan dan het risico voor de patiënt worden ingeschat. Behandeling De behandeling vindt altijd plaats volgens een meersporenbeleid: sanering, medicamenteuze therapie en immunotherapie. Sanering Vermijden van het allergeen (sanering) leidt in het algemeen tot vermindering van de klachten en voorkomt verergering (preventief). De bestrijding van de HSM is gericht op vochtbestrijding en beperking van stof. De folder ‘Saneren’, uitgegeven door het NAF, adviseert het gebruik van gladde materialen op de vloeren (parket, kurk, plavuizen en zeil). Verder moet er veel geventileerd worden in combinatie met verwarming, ook in de wintermaanden. Het effect van mijtdodende chemicaliën en diverse lucht- en stofzuigerfilters op de klachten is nog onvoldoende aangetoond. Negen dubbelblinde placebogecontroleerde onderzoeken met allergeendichte bedhoezen zijn uitgevoerd bij astmapatiënten, drie bij atopische dermatitis en een bij allergische rhinitis. Verschillende soorten hoezen werden gebruikt met wisselende onderzoeksduur. Een aantal onderzoeken toont vermindering van HSMallergeen en medicatiegebruik aan, maar niet alle. Een onlangs verschenen proefschrift concludeerde dat bij patiënten met allergische rhinitis het gebruik van mijtwerende hoezen leidde tot verminderde expositie aan HSM-allergeen, hetgeen zich echter niet vertaalde in vermindering van neusklachten. Medicatie Medicamenteuze behandeling kan oraal
en lokaal worden gegeven. Orale medicatie bestaat uit antihistaminica en
orale corticosteroïden. Deze laatste worden alleen nog als stootkuur
gegeven bij exacerbatie van allergische astmaklachten conform de
richtlijnen van NHG/NVALT. Het gebruik van de eerste generatie
antihistaminica leidde vaak tot slaperigheid; deze bijwerking is
duidelijk afgenomen bij de tweede generatie. Wanneer antihistaminica van
de tweede generatie in dubbele doseringen worden gebruikt, kunnen ze de
rijvaardigheid beïnvloeden, zij het in mindere mate dan alcohol bij een
bloedalcoholconcentratie van 0,5 promille. Vrouwen lijken gevoeliger
voor de sederende effecten dan mannen. Immunotherapie Immunotherapie (IT) met
allergeenextracten is sinds 100 jaar bekend. De patiënten krijgen
subcutane injecties (SCIT) met het allergeen respectievelijk de
allergenen waarvoor zij allergisch zijn bevonden door middel van
anamnese, huidtests en/of serologisch onderzoek. De meest gebruikte
oplossingen zijn momenteel depotpreparaten of allergoïden (gemodificeerd
allergeenextract geadsorbeerd aan aluminiumhydroxide). IT vermindert de
directe en late allergische reactie en wordt met name toegepast om de
ernst en duur van de allergische klachten te verminderen. Introductie
van IT op jonge leeftijd kan het ontstaan van astma voorkomen.
Effectiviteit is vooral aangetoond bij de perenniale vorm en houdt nog
jaren aan na het beëindigen van de behandeling. Bij 80% van de patiënten
verdwijnen of verminderen de klachten na een behandelingsperiode van
drie tot vijf jaar. Het werkingsmechanisme wordt thans verklaard doordat
via herstel van de balans tussen de T- ymfocyten en supprimerende
regulerende T-cellen tolerantie voor het allergeen zou worden opgewekt.
Beleid Er bestaan nationale en internationale richtlijnen voor de
indicatiestelling en praktische uitvoering van de injectiekuur. SLIT Mogelijk vormt in de toekomst de sublinguale immunotherapie (SLIT) een alternatief voor SCIT, met name bij kinderen. Druppels allergeenextract worden volgens opklim- en onderhoudsdosering onder de tong ingenomen en na tien seconden doorgeslikt. De resultaten van grote onderzoeken (dubbelblind placebogecontroleerd) worden nog afgewacht. SLIT is nog niet opgenomen in de consensus IT in de eerste lijn door de Vakgroep van de Nederlandse Allergologen. Huidige onderzoeken tonen aan dat SLIT veilig is, ook bij hoge allergeendoses (tot 500 x dosis bij SCIT). |
||||||||||||
|
Maatregelen bij anafylactische shock TABEL 2 |
||||||||||||
|
Patiënt neerleggen, tensie meten |
||||||||||||
|
0,3-0,5 ml adrenaline 1 mg/ml direct i.m., kinderen: 0,02 mg/kg, eventueel na 10 minuten herhalen |
||||||||||||
|
i.v. infuus fysiologisch zout |
||||||||||||
|
Via infuus: clemastine 2 mg/2 ml, kinderen: 0,025 mg/kg, dexamethason 8 mg of 50 mg prednisolon, kinderen: 25 mg prednisolon |
||||||||||||
|
Tensie-/polscontrole |
||||||||||||
|
z.n. adrenaline 0,1 mg/ml i.v. (polscontrole) |
||||||||||||
|
Bij bronchospasme: inhalatie met salbutamol 100 g dosisaërosol via voorzetkamer, volwassenen: 4 inhalaties, kinderen: 4 inhalaties |
||||||||||||
|
Beoordeling opnamenoodzaak |
||||||||||||
|
Conclusie De prevalentie van allergische aandoeningen is de laatste tien jaar wereldwijd sterk toegenomen, met als gevolg een daling van de ‘Quality of Life’, toegenomen school- en werkverzuim en forse consumptie van medische zorg. De hygiënehypothese verklaart deze toename door een te lage blootstelling aan virussen, bacteriën en endotoxinen in de kinderfase, leidend tot disbalans in het netwerk van regulerende T-cellen. Allergische rhinitis wordt momenteel ingedeeld in persisterende of intermitterende rhinitis met indeling van de ernst op basis van de impact op het leven van de patiënt. Hieruit volgend wordt de keuze van behandeling bepaald. Orale antihistaminica gegeven aan zeer jonge kinderen kunnen mogelijk de latere ontwikkeling van astma voorkomen. Immunotherapie blijft belangrijk in het meersporenbeleid van allergische aandoeningen, met mogelijk in de toekomst een rol weggelegd voor de sublinguale toedieningsvorm, vooral bij kinderen. |
||||||||||||
Bijgewerkt op maandag 30 maart 2009