|
Consensusprotocol Nederlandse Vereniging voor Allergologie november 1997 |
||||||||||||||||||
|
CONSENSUS: Immunotherapie in de eerste lijn. Aan de hand van de Nederlandse, Europese en Amerikaanse richtlijnen en de eigen praktische ervaringen van de Commissie Immunotherapie van de Vereniging voor Allergologie werd in 1997 consensus bereikt over de voorwaarden waaronder Immunotherapie met allergeenextracten bij de huisarts uitgevoerd kan worden. Het betreft Immunotherapie met allergeenextracten die volgens een continu schema gedurende het gehele jaar worden toegediend en waarvan de klinische effectiviteit en veiligheid wetenschappelijk gedocumenteerd is. De samenvatting hiervan staat in onderstaande tabel, de verdere toelichting volgt hierna. In alle gevallen wordt geadviseerd om te werken met allergeen extracten die door de overheid en door het college van zorgverzekeraars formeel zijn goedgekeurd en geregistreerd. |
||||||||||||||||||
Algemene richtlijnen
en contra-indicaties: (Huis)artsen en
paramedisch personeel die de injecties toedienen, dienen te worden
getraind in specifieke vaardigheden als de injectietechniek,
dosisaanpassingen, de supervisie van de patiënt en eventuele
noodbehandelingen. De patiënt moet
altijd minstens een half uur na de injectie onder directe controle
blijven, omdat een eventuele anafylaxie vrijwel steeds in deze
periode voorkomt. Dit kan ook geschieden onder toezicht van een
verpleegkundige, doktersassistente of arts in de spreekkamer en/of
wachtkamer. De arts (of een collega-arts bij de mogelijkheid van
spoedvisites !) dient altijd in de directe nabijheid aanwezig te zijn.
De arts blijft namelijk verantwoordelijk en dient zelf de supervisie uit
te voeren. Contra-indicaties voor het starten met Immunotherapie (algemeen):
Bij patiënten bij wie, ondanks de genoemde contra-indicaties, in de tweede lijn met immunotherapie is begonnen, wordt de vervolgbehandeling in de huisartsenpraktijk afgeraden! ad 1: Indicatiestelling: Screening van een allergische patiënt kan door de huisarts plaatsvinden; de specifieke allergologische diagnose en de indicatie voor immunotherapie wordt door een ervaren specialist vastgesteld. Bij de specifieke allergologische diagnose heeft de specialist kennis van de relevante allergenen voor deze patiënt (zowel buitenhuis- als binnenhuisallergenen), zodat de juiste allergenen voor de patiënt worden gekozen. De effectiviteit van een immunotherapie is namelijk duidelijk minder, wanneer voor de patiënt relevante allergenen worden weggelaten en wanneer klinisch-irrelevante allergenen worden toegevoegd. Het te verwachten resultaat van immunotherapie en de kans op ernstige bijwerkingen, zoals bij zeer ernstig allergische patiënten of complicerende factoren, moeten worden afgewogen. Zo dient de specialist er zich van te vergewissen dat er geen astma en/of bronchiale hyperreactiviteit bestaat. Tussentijdse evaluatie bij complicaties/stagnatie opdoseerschema: De immunotherapie moet na een anafylactische bijwerking worden aangepast in doseringsschema of zelfs worden beëindigd, uiteraard door of in overleg met de specialist die de immunotherapie heeft voorgeschreven. Er hoort contact opgenomen te worden met de specialist bij stagnatie van het opdoseerschema. Voor de aanpak van bijwerkingen van immunotherapie wordt verwezen naar bijlage 2. ad 2: Jaarlijkse evaluatie: Patiënten die immunotherapie in de eerste lijn ondergaan, dienen jaarlijks door de specialist te worden geëvalueerd. Tussentijdse evaluatie bij complicaties: De immunotherapie moet na een anafylactische bijwerking worden aangepast in doseringsschema of zelfs beëindigd, uiteraard door of in overleg met de specialist die de immunotherapie heeft voorgeschreven. ad 3: Er is aangetoond dat patiënten met ongecontroleerd astma significant meer systemische reacties vertonen gedurende immunotherapie en dan vooral in de opdoseringsfase. Daarom hoort immunotherapie bij astmapatiënten uitgevoerd te worden bij de specialist met de mogelijkheid van zuurstoftoediening, eventueel intubatie en toegang tot een beademingscentrum. ad 4: Gezien de ernstige anafylactische reacties bij insectensteken, de aard van de (vaak niet-allergische) bijwerkingen in de opdoseerfase en de emotionele beladenheid van deze allergie, wordt geadviseerd indicatiestelling en opdoseringsfase bij de specialist te laten plaatsvinden. ad 5: De onderhoudsfase van immunotherapie met insectengiffen kan bij de huisarts plaatsvinden, mits er aan een aantal voorwaarden wordt voldaan: Geen astma als bijkomende ziekte Jaarlijkse evaluatie Patiënten die immunotherapie ondergaan, dienen jaarlijks door de specialist te worden geëvalueerd. Tevens dient na elke veldsteek met het gewraakte insect de reactie hierop met de specialist te worden geëvalueerd. Tussentijdse evaluatie bij complicaties De immunotherapie moet na een anafylactische bijwerking worden aangepast in doseringsschema of zelfs beëindigd, uiteraard door of in overleg met de specialist die de immunotherapie heeft voorgeschreven. Bijlage 1: Praktische uitvoering van immunotherapie
Algemeen
Datum van injectie; dosering; allergeen (evt. batchnummer); plaats van injectie; reactie op vorige injectie; klachten; medicatiegebruik.
Bij onderbreking kunt u de adviezen van de fabrikant volgen of de adviezen van de specialist vragen.
Op een algemene reactie bestaat meer kans
bij een patiënten die vermoeid, verkouden of niet fit zijn, of veel
klachten hebben. In dergelijke situaties wordt aanbevolen om de dosering
te verlagen en de volgende keer weer te verhogen.
De injectie minimaal 1 week uitstellen en
bij de eerstvolgende injectie de dosering verlagen; daarna weer verhogen
volgens het schema van de fabrikant.
De injectie zelf:
Bijlage 2: Complicaties en de behandeling ervan. Lokaal: Direct en/of na enige uren heftige zwelling en roodheid op de injectieplaats. Therapie: Bij heftige directe reactie een antihistaminicum laten innemen. Bij volgende dosering één stap terug en daarna weer dosering volgens schema. Bij herhaalde sterke lokale reacties steeds één (1), liefst twee (2) uur van te voren een antihistaminicum laten innemen en/of na de injectie ter plaatse hydrocortison FNA opbrengen. Algemeen: Bijna meteen na de injectie, of pas na verloop van tijd, treden de volgende verschijnselen op: urticaria of diffuus erytheem, angio-oedeem, jeuk, rhinitis, astma bronchiale, eventueel tensiedaling en shock toe. Slechts zelden treedt dit later dan één uur na de injectie op. In dit verband dient de patiënt geïnstrueerd te zijn direct naar de arts terug te keren bij een late reactie. Bij herhaalde algemene reacties dient de patiënt naar de specialist te worden terugverwezen voor aanpassing van het injectieschema. Therapie: Hoe eerder men ingrijpt, des te sneller reageert de patiënt op de toediening van onderstaande medicamenten. Deze medicamenten moeten in de behandelkamer gereedliggen of snel voor gebruik gereed gemaakt kunnen worden. De behandeling bestaat uit: Patiënt neerleggen. Adrenaline intramusculair inspuiten.
|
||||||||||||||||||