|
DE DIAGNOSTIEK VAN INHALATIE-ALLERGIe |
|||
|
Auteur: * UMC
St.Radboud, afd. KNO-heelkunde, Nijmegen |
|||
| SAMENVATTING | |||
| INLEIDING | |||
| Diagnostiek | |||
| Allergische reacties | |||
| Huidtest | |||
| RAST | |||
| RAST versus huidtest | |||
| Nawoord | |||
Patiënten met atopische
aandoeningen worden onderzocht en behandeld door artsen uit verschillende
specialismen.
In het kader van een interdisciplinair kwaliteitsbeleid, zijn er door (inter-)nationale gremia hiervoor protocollen en richtlijnen opgesteld. Continue evaluatie ervan is noodzakelijk om verzekerd te blijven van “state of the art” beleid. In deze bijdrage wordt ingegaan op enkele aspecten van de allergie diagnostiek.Het (in-)direct aantonen van specifieke IgE antistoffen tegen allergenen is kenmerkend voor de diagnostiek van atopische aandoeningen. De gebruikelijke meetinstrumenten hiervoor zijn de huidtesten en/of
serologische bepalingen.
In deze bijdrage wordt getracht antwoorden op deze vragen te formuleren door de mogelijkheden maar ook de beperkingen van de beide testmethoden te belichten. Tegen de achtergrond van
de toenemende prevalentie en incidentie van atopische aandoeningen, neemt de
allergie diagnostiek een steeds meer belangrijke plaats in bij het
achterhalen van de oorzaken van deze opmars en ook bij de ontwikkeling en
het uitwerken van strategieën die gericht zijn op het indammen ervan. |
|||
| IgE-gemedieerde ofwel
atopische aandoeningen zoals astma, rhinitis, eczeem en voedselallergie,
komen wereldwijd steeds vaker voor. Bij de individuele patiënten wordt steeds vaker een clustering van de deze aandoeningen gezien. De co-morbiditeit komt illustratief tot uiting in de benaming atopiesyndroom. Epidemiologische data suggereren een toename van deze aandoeningen in de laatste 20 jaar tot welhaast epidemische omvang. De gevolgen van die toename zijn aanzienlijk, niet alleen voor de patiënt en zijn/haar omgeving maar ook voor de samenleving als geheel. Daarbij valt te denken aan de negatieve invloed ervan op de “kwaliteit van leven” van de individuele patiënt en aan de economische belasting door zowel directe ( medische) en indirecte (ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid, etc.. )kostendruk op het gezondheidszorgbudget.
Veel onderzoek is
momenteel gericht op het ontrafelen van de achtergronden van de atopische
opmars. Het familiaire voorkomen en de bevinding dat er hierbij vooral
sprake is van maternale overerving, ondersteunt het belang van genetische
factoren bij het ontstaan van een IgE-gemedieerde allergie.
De diagnostiek van atopische allergie is een sine qua non bij het epidemiologische onderzoek en ook voor de ontwikkeling van preventieve en therapeutische strategie. |
|||
| Een nauwkeurige anamnese
en de bevindingen van het lichamelijk onderzoek vormen de uitgangspunten
voor de diagnostiek en daarmee ook voor de therapie bij patiënten die
verdacht worden van een allergische aandoening. Naast de algemene en de tractus anamnese, richt een gestructureerde speciële anamnese zich vooral op de inventarisatie van de (ernst van de) klachten en van de luxerende of modificerende prikkels (allergische of irritatieve triggers). Op basis van deze
informatie wordt een voorlopige diagnose of een werkhypothese opgesteld die
aangeeft of verder onderzoek zinvol is en zo ja, richting geeft aan het
diagnostische traject. Vooral bij atopische luchtwegaandoeningen volstaat het in de praktijk meestal om het onderzoek van de verdachte patiënt te beperken tot een gedegen anamnese, het lichamelijk onderzoek en het aantonen van specifieke IgE antistoffen tegen relevante allergenen met gestandaardiseerde en gevalideerde methoden. Bij klinisch belangrijke allergieën zijn de bevindingen van deze drie diagnostische elementen vaak duidelijk met elkaar in overeenstemming. Hier worden achtereenvolgens enkele aspecten beschreven van de meest gebruikte diagnostische onderzoeken naar specifieke IgE sensibilisering: de huidtest en het serologisch (RAST) onderzoek. Voor een goed begrip hiervan volgt eerst een samenvatting van de immunologische achtergrond van de IgE-gemedieerde allergische respons. |
|||
| Allergische reacties zijn
overgevoeligheidsreacties waarbij aantoonbaar het immuunsysteem is
betrokken. Een immuunglobuline, een antigeenpresenterende cel (APC) of
een gespecialiseerde lymfocyt herkent en bindt het antigeen, waarna een
reactieketen op gang komt die uiteindelijk resulteert in
weefselinflammatie.
In deze context wordt het antigeen een allergeen genoemd en is in principe geen lichaamseigen bestanddeel (uitsluiten auto-immuniteit) en ook geen infectieus agens. Een immunologische reactie verloopt meestal stapsgewijs via cognitie en activatie naar een effectorfase. Voor de IgE-gemedieerde allergische reactieketen is dit beloop door de Monchy meer specifiek geïllustreerd in het model van de “allergische brug”.
In de fase van
allergeenexpositie zijn de fysische en chemische eigenschappen en de
moleculaire structuur van de allergenen van belang om het targetorgaan te
bereiken. De immunologische
verwerking van de IgE-gemedieerde allergie begint met de presentatie van
de allergeenfragmenten door APC’s aan gespecialiseerde Kenmerkend voor de
atopische activatie van T-lymfocyten is De hoofdrol in de atopische reactieketen is weggelegd voor het allergeenspecifieke immunoglobuline E (sIgE). Deze antistoffen worden geproduceerd door tot plasmacellen gedifferentieerde B-lymfocyten onder aansturing van de TH2-cellen. Een toenemend aantal mensen hebben een genetische aanleg om makkelijk en in verhoogde mate dit sIgE aan te maken: die aanleg wordt een atopische constitutie genoemd. De sIgE’s circuleren deels als vrije antistoffen en deels gebonden aan basofiele leukocyten door het bloed; in de weefsels zijn ze vooral gebonden aan mestcellen. Wanneer twee of meer membraangebonden IgE-antistoffen aan een allergeen koppelen, reageren de bijbehorende IgE-receptoren in de celmembraan met elkaar waardoor celactivatie optreedt, wat leidt tot het uitstoten van biogene aminen zoals histamine en tryptase maar ook de aanmaak en afscheiding van bijvoorbeeld leukotriëenen. Vooral histamine is een actieve mediator die na binding aan receptoren van vaten en zenuwen, verantwoordelijk is voor snel optredende allergische verschijnselen. *** Een ander interessant kenmerk van de allergische reactie is het adaptieve karakter van de respons. In een pré-symptomatische periode komt de patiënt een of enkele malen in contact met het allergeen en raakt gesensibiliseerd. Wanneer de klinische reactie eenmaal op gang is gekomen, dan kan bij herhaalde expositie aan lage doses van het betreffende allergeen de reactiviteit van de targetorganen versterkt worden. Deze amplificatie van de reactiviteit (ook wel “priming”genoemd) geldt dan niet alleen voor hernieuwd contact met het allergeen maar nu ook voor het contact met irritatieve prikkels. Dit verschijnsel wordt de allergeengeïnduceerde hyperreactiviteit van het eindorgaan genoemd. Het celbiologische en moleculaire substraat van dit fenomeen wordt gevormd door een ontstekingsinfiltraat dat op zich in een vervolgfase weer mede debet is aan structurele veranderingen in de eindorganen. Opmerkelijk is de bevinding dat soms bij herhaalde expositie aan hoge tot zeer hoge doses van een allergeen, de klinische reactiviteit juist minder wordt. Bij de behandeling van allergische patiënten wordt hiervan gebruik gemaakt bij de allergeenspecifieke immunotherapie. |
|||
| In 1865 heeft de Britse
allergologiepionier Charles Blackley, zelf hooikoortslijder, het belang van
stuifmeel aangetoond bij pollinosis door bij zichzelf stuifmeel te
Bij het karakteristieke “wheal and flare”- patroon wordt het oedeem van de kwaddel veroorzaakt door vasoactieve mediatoren afkomstig uit gedegranuleerde mestcellen. De rode hof rond de kwaddel berust op verwijding van huidhaarvaten door een axonreflex. In de volgende decennia ontwikkelde de huidtest zich tot het basisonderzoek in de allergologie. Door het explosieve allergeenonderzoek in het laatste decennium zijn er verbeterde testextracten beschikbaar en tevens is er nationaal en internationaal consensus bereikt over de praktische uitvoering van huidtests, de indicaties hiervoor en de interpretatie van de resultaten. 6,7,8,9,10,11 In principe zijn er twee methoden van huidtests: de intracutane test (ICT of ICAT) en de priktest (SPT). |
|||
|
|
|
||
| Bij het vergelijken van beide methoden heeft de SPT de voorkeur als
routinediagnostiek vanwege het gebruiksgemak, een laag risico op allergische
bijwerkingen, een hoge specificiteit, een betere stabiliteit van de
allergeenextracten en de lage kosten. De ICT is echter 1000 tot 10.000 maal
sensitiever, overigens vaak ten koste van de specificiteit ten opzichte van
de SPT. De ICT blijkt wel beter reproduceerbaar te zijn dan de priktest maar
de praktische uitvoering ervan is meer bewerkelijk en vergt de nodige
expertise. ICT’s worden daarom vooral op specialistische indicatie gebruikt
zoals bij de diagnostiek met insectengiffen, bij discrepanties tussen
anamnese en SPT/RAST en bij het ontbreken van niet-gestandaardiseerde en
weinig potente testextracten (exotische en/of beroepsallergenen). De
uitslagen van een huidtest worden altijd vergeleken met twee controleprikken:
één met alleen de oplosvloeistof van het allergeenextract (de negatieve
controle) en één met een histamineoplossing (de positieve controle).
Aanbevolen wordt om voor huidtesten gebruik te maken van een goed Door het gebruik van gestandaardiseerde allergeenextracten, is het bij de aflezing van de testresultaten mogelijk om vrij nauwkeurig een grenswaarde voor een positieve test aan te geven. De klinische relevantie van een positieve huidtestuitslag moet in de vervolgfase van de diagnostiek altijd gerelateerd worden aan de anamnese. Een forse huidtestreactie hoeft namelijk niet zondermeer te wijzen op een klinisch belangrijke allergie en anderzijds kan een anafylactogeen slechts een beperkte huidreactie veroorzaken. Indien er bij het interpreteren van de testuitslag sprake is van discrepantie of twijfel, dan kan dat een reden zijn voor aanvullend onderzoek zoals een allergeenprovocatie. Huidtesten worden wereldwijd veel gebruikt. Het is daarom opmerkelijk dat er slechts weinig onderzoek gedaan is naar de veiligheid van deze tests. Plaatselijke huidreacties kunnen wel eens voorkomen bij sterk gesensibiliseerde personen; dit is hinderlijk, inherent aan de testprocedure en niet altijd op basis van de voorafgaande anamnese te voorspellen en daarmee niet altijd te voorkomen.
De kans op systemische reacties (anafylaxie) is zeer klein maar niet ondenkbeeldig. De schattingen hierop variëren van 0,05 tot 0,5%. De kans op dergelijke adverse reacties wordt tot een minimum beperkt door strikte handhaving van de gebruiksaanwijzingen. Huidtests zijn in het algemeen gecontraïndiceerd bij patiënten met levensbedreigende anafylactische reacties in de anamnese (althans een huidtest met het betreffende anafylactogeen; uitzondering hierop vormt de diagnostiek met insectengiffen en antibiotica) en bij patiënten met een zeer ernstig en instabiel astma. Het verdient overigens de voorkeur om de diagnostiek van anafylactische reacties te laten uitvoeren in gespecialiseerde centra. Omdat in zeldzame gevallen bij zwangere patiënten uteriene contracties zijn geassocieerd met anafylaxis, wordt geadviseerd bij deze patiëntengroep alleen huidtests te verrichten als de uitslagen een directe en substantiële bijdrage leveren aan het therapeutische beleid. Het gebruik van sommige geneesmiddelen kan interfereren met de huidtestreacties. Deze farmaca moeten enige dagen van te voren gestaakt worden. Voor een overzicht hiervan wordt verwezen naar de gebruiksaanwijzing van de fabrikant. Er zijn geen overtuigende aanwijzingen dat het kortdurend gebruik van orale steroïden ( tot 20 mg dd. gedurende 1 week) een suppressie veroorzaakt van de huidtests. Het chronische gebruik ervan in relatief hogere doseringen kan dit wel veroorzaken. De huidgebieden waar potente dermatocorticosteroïden gedurende langere tijd gebruikt worden, dienen als huidtestlocatie vermeden te worden. |
|||
Het serologisch aantonen
van sIgE gebeurt door middel van een semi-kwantitatieve bepaling zoals de
radio-allergo-sorbent-test (RAST) en tegenwoordig vooral ook met een RAST-variant,
de CAP-test®.
Naast deze radio-immuno assay zijn er testvarianten met min of meer vergelijkbare diagnostische bruikbaarheid; de variatie wordt ondermeer bepaald door factoren als de aard van de vaste drager, de aard van het anti-IgE label en de kwaliteit van de reagentia. Bij de RAST techniek wordt een allergeenextract gekoppeld aan een vaste drager. Na toevoeging van het patientenserum zullen de daarin eventueel aanwezige specifieke IgE antistoffen een sterke binding aangaan met het allergeen. Niet gebonden componenten worden weggewassen, radioactief gelabeld anti-IgE wordt toegevoegd en de hoeveelheid gebonden anti-IgE wordt bepaald nadat de overmaat anti-IgE in een tweede wassing is verwijderd. De radioactiviteit wordt bepaald met een soort geavanceerde Geigerteller. Het aantal counts van het radioactieve complex (allergeen*sIgE*anti-IgE) wordt vergeleken met het aantal counts van het totaal toegevoegde radioactief anti-IgE; dit bindingspercentage wordt afgelezen op een standaard ijklijn, waardoor de uiteindelijke resultaten in units per volume-eenheid geleverd kunnen worden. Om de interpretatie daarvan te vereenvoudigen werd ook een klasse indeling voorgesteld. In de praktijk blijkt dit laatste hulpmiddel een ondeskundige beoordeling soms in de hand te werken. “Uw RASTuitslag valt in een erg hoge klasse, dus u bent erg allergisch voor dat allergeen”, is vooralsnog een voorbarige interpretatie. Een positieve RAST is slechts een indicator voor de aanwezigheid van circulerende specifieke IgEantistoffen en de RASTtiter een maat voor de hoeveelheid daarvan in het serum. Evenals voor de huidtest geldt, dat een nadere klinische interpretatie plaats dient te vinden tegen de achtergrond van de bevindingen van de anamnese en het fysisch/diagnostisch onderzoek. Opmerkelijk zijn in dit kader de resultaten van recente studies naar de mogelijk voorspellende waarde van RASTtiters voor de klinische relevantie van sommige voedselallergenen. In de onderzochte patiëntengroepen werden die drempelwaarden gerelateerd aan dubbelblinde placebogecontroleerde provocaties (DBPCOP). Het is nog onvoldoende duidelijk of deze resultaten zondermeer geëxtrapoleerd mogen worden naar grotere voedselallergische populaties en of de dosis/respons relatie per patiënt stabiel blijft in het verloop van de tijd. Uitbreiding van dit onderzoek is nodig met grotere patiëntengroepen waarbij de DBPCOP’s per patiënt repetitief worden uitgevoerd over een langer tijdsbestek. De meeste interpretatie problemen van de RAST testen doen zich overigens voor bij de lage RASTtiters/klassen. Er kan daarbij interferentie zijn opgetreden door kruisallergeniciteit of vals-positieve binding van niet specifieke IgE antistoffen bij een sterk verhoogd totaal IgE-gehalte. Nader onderzoek met huidtests, RAST-inhibitie en provocatie onderzoek kan dan uitkomst bieden. De RAST-inhibitie techniek wordt overigens niet alleen gebruikt voor een nadere determinering van de specificiteit van een IgE-binding, maar het is ook een waardevol instrument bij de standaardiseringsprocedures voor allergeenextracten. Klinisch niet-relevante RAST uitslagen door de aanwezigheid van kruisreagerende epitopen in het allergeenmengsel op de vaste drager van immuno-assay’s vormen een beperking van de validiteit van de RAST en daarmee een aanzienlijke stoorfactor bij de klinische interpretatie ervan. Een van de speerpunten in het immunobiologische onderzoek van de RAST is het verbeteren van deze problematiek. In de nabije toekomst zijn hierbij interessante resultaten te verwachten van ondermeer recombinant technieken. De bepaling van het totale ( niet-specifiek) IgE-gehalte in het serum heeft veel van zijn betekenis verloren. Voor de kwantitatieve bepaling van het totaal IgE gehalte bij het schatten van een kans op de aanwezigheid van atopische aandoeningen, zijn er leeftijdsafhankelijke referentiewaarden. Een verhoogd totaal IgE gehalte blijkt een redelijk betrouwbare voorspeller te zijn van astma in epidemiologische studies, maar de bepaling blijkt toch te onnauwkeurig bij de beoordeling van het individuele risico op atopische aandoeningen. Er zijn behalve de atopische aandoeningen nog veel andere ziekten die gepaard gaan met een verhoging van het IgE gehalte.19 Soms kan een verhoogd totaal IgE gehalte het resultaat zijn van een technische meetfout. Alleen op specifieke indicatie of bij twijfel aan de validiteit van de RAST is deze bepaling bij het atopiesyndroom nog geïndiceerd. Een goede screeningsmethode naar de aanwezigheid van specifieke IgE antistoffen vormt de combinatie-RAST waarbij in één assay, detectieonderzoek plaatsvindt met een mengsel van de meest gebruikelijke luchtwegallergenen of, bij kinderen, met een voedselallergeenmengsel of een mengsel van voor die leeftijd relevante luchtweg- en voedselallergenen. Pas wanneer de combinatie-RAST positief uitvalt, dan kunnen afzonderlijke RAST’s ingezet worden voor nadere differentiëring. Op redelijk betrouwbare wijze kunnen hierdoor de hoge laboratoriumkosten van het RAST onderzoek beperkt blijven. |
|||
| Bij de huidtest wordt op
een indirecte manier het mestcelgebonden specifiek IgE aangetoond en ook de
mate van de reactiviteit van deze cellen bepaald. Bij de RAST daarentegen
meet men op directe wijze de hoeveelheid van circulerend, niet-celgebonden
specifiek IgE. De resultaten van de RAST laten een goede correlatie zien voor de detectie van sIgE met de allergische symptomatologie, met huidtesten en met provocatietesten. Afhankelijk van de gebruikte testvariant is de huidtest echter daarin iets nauwkeuriger dan de bloedtest.19, 20 De betrouwbaarheid van de huidtest is sterk afhankelijk van de kwaliteit van de testextracten, de gebruikte testtechniek en de ervaring in de interpretatie van de testresultaten. Bovendien moet de huid in een goede conditie zijn; bij constitutioneel eczeem en dermografie kunnen de resultaten minder betrouwbaar zijn. Een praktisch punt is dat sommige medicijnen gestaakt moeten worden voor de uitvoering van de huidtest om interferentie met het testresultaat te voorkomen; dit kan voor een enkele patiënt een bezwaar zijn om huidtest onderzoek te ondergaan. Huidtesten kunnen op elke leeftijd worden uitgevoerd, zelfs op (anamnestisch gestuurde) indicatie bij jonge kinderen. De huidtestreactiviteit kan echter verminderd zijn op deze leeftijd en ook bij bejaarden. Een nauwkeurige beoordeling en interpretatie van de testresultaten zijn in die gevallen een “conditio sine qua non”; iets wat overigens vooral in deze leeftijdsgroepen voor iedere diagnostische test geldt! Een praktisch voordeel van de huidtest is het snel beschikbaar zijn van de resultaten en de zichtbaarheid ervan voor de patiënt. Dit laatste aspect kan belangrijk zijn voor de motivering van sommige patiënten bij hun bereidheid en inzet om eliminatie adviezen op te volgen. Niet onbelangrijk is verder dat de huidtest minder kostbaar is dan de bloedtest. De voordelen van de RAST ten opzichte van de huidtest zijn: een mindere belasting voor de patiënt, afgezien van de bloedafname, geen kans op allergische bijwerkingen en de testresultaten worden niet beïnvloed door medicijngebruik of de huidconditie. De nadelen ervan zijn het niet snel beschikbaar zijn van de testresultaten en de hogere kosten. Een aantal bijzondere klinische situaties waar de RAST bepaling de voorkeur heeft zijn:
|
|||
| Een atopisch
sensibilisatieprofiel is vaak geen statisch verschijnsel. In de loop der
tijd kunnen sensibilisaties verdwijnen zoals die voor sommige
voedselallergenen bij jonge kinderen ( koemelkeiwit, kippeneiwit) of afnemen
zoals de sensibilisering voor insectengiffen door immunotherapie. Vooral bij
luchtwegallergie, kunnen er in de loop van de tijd nieuwe sIgE antistoffen
gevormd worden waardoor de allergische klachten en verschijnselen veranderen
of een ingestelde therapie niet meer aanslaat. In die gevallen is herhaling
van de testen aangewezen. Herhaling van allergie testen kan ook plaatsvinden
wanneer er nieuwe of verbeterde testextracten of technieken beschikbaar zijn
en bij de evaluatie van behandelingen zoals de allergeenspecifieke
immunotherapie.
Voor de klinische diagnose van atopische aandoeningen is de anamnese aangevuld met de bevindingen van het fysisch diagnostisch onderzoek van elementair belang en een correct uitgevoerde allergeenprovocatie vormt in principe de “gouden standaard” voor het aantonen van een klinisch relevante relatie met een specifiek allergeen. Omdat provocatie onderzoek echter niet routinematig gebruikt kan worden, is het aantonen van een sIgE sensibilisering in de praktijk de meest gebruikte vervolgstap in de diagnostiek van atopische aandoeningen. De allergologisch werkzame specialist heeft daarbij een flexibiliteit in de keuze tussen huidtesten en in vitro diagnostiek. Voor de meeste allergenen zijn er tegenwoordig immuno-absorptie technieken beschikbaar voor de detectie van allergeenspecifieke IgE antistoffen bij de meeste patiënten. Hoewel er met de nieuwe CAP-methode veel verbeterd is wat betreft sensitiviteit van de RAST, blijven er voldoende argumenten over om vooralsnog de huidtest te prefereren als standaard voor de bepaling van sIgE sensibilisering. |
|||